David Vann – Caribou Island 2011.

David Vann kreeg overweldigende recensies voor zijn debuut Legende van een zelfmoord.
Net als in zijn vorige roman, is Alaska in Caribou Island weer het onherbergzame decor waartegen het verhaal zich afspeelt. Deze nieuwe, aangrijpende roman gaat over het desastreuze huwelijk van Irene en Gary en hun beider kinderen.
Irene en Gary besluiten niet voor het eerst een van de onvervulde dromen van Gary te realiseren. En een blokhut bouwen op een eiland.

“Ze zouden het huis vanaf de grond opbouwen. Zelfs geen fundering. En geen tekeningen ,geen ervaring, geen vergunningen, advies ongewenst.
Gary wilde het gewoon doen, alsof zij de twee eersten waren die deze wildernis ingetrokken waren.”

De weersomstandigheden zijn bar en boos.
Irene helpt mee omdat zij bang is dat Gary haar anders in de steek zal laten. Een angst die is gevoed door haar verleden. Als ouderloos kind doorgegeven aan ongeïnteresseerde familieleden, is de verstandhouding met haar man de enige redding.
Van dochter Rhonda ondervindt zij nog enige liefde. Zij is verloofd met tandarts Jim die haar de illusie geeft van een gelukkig bestaan, maar zijn huwelijksaanzoek heeft als enige reden dat hij zijn toekomstfantasieen de vrije loop kan geven.
Zoon Mark is alleen in zijn eigen marginale bestaan geinteresseerd.
Caribou Island grijpt je aan door de hopeloosheid van de levens en boeit tot het bittere einde.
Misschien alleen een boek voor rasoptimisten, maar ik vind het een aanrader door de meedogenloze wijze waarop David Vann er toch in slaagt een positieve fineerlaag aan te brengen.
Annelies Derkzen
David Vann, Caribou Island, De Bezige Bij 2011, euro 19,90

Avontuurlijk

De avontuurlijke architectuur van scouting, uitg. Blauwdruk, euro 29,15


Er zijn weinig plekken waar een mens zoveel voorliefdes tegenkomt als in een boekwinkel. Het is verbazingwekkend in hoeveel deelgebieden mensen zich laten inspireren tot het maken van een boekwerk. Als verkoper word je voortdurend verrast. Wie verwacht bijvoorbeeld de titel: De avontuurlijke architectuur van scouting?

Ik heb nooit iets met padvinderij gehad. Mijn broer kwam wekelijks thuis met spectaculaire verhalen over belevingen bij de zeeverkenners en ik vroeg mij af hoe hij het in die knellende groepsstructuur volhield. Het is de uitdagende vormgeving van dit architectuurboek die mij tot lezen bracht over de geschiedenis van de scouting, maar vooral over de architectuur die daaruit voortkomt. Het biedt een prachtig informatief overzicht met foto’s en bouwtekeningen van veertien boeiende clubgebouwen die in twintig jaar zijn verwezenlijkt. Twee gebouwen zijn ontworpen door Maarten Min, van Min2 bouw-kunst uit Bergen. Waaronder het mooiste gebouw uit het hele boekwerk, De Burcht uit Bergen, voor scoutinggroep de Heerlijkheid en Rijvereniging Kennemer Ruiters, dat de cover bepaalt.
Vanaf circa 1910 moeten scouts het doen met afgedankte schuren, zolders, onbewoonbaar verklaarde woningen en verlaten forten zonder sanitair. Dit past bij de denkbeelden van de oervader van het scoutingwezen, Baden-Powell, die in 1907 het rauwe buitenleven voor jongeren bejubelt, respect voor de natuur en elkaar. Een spannende wereld, zonder luxe, waarin jongeren spelenderwijs oplossingen vinden. Het lijkt in tegenspraak met de recente, verzorgde, modern vormgegeven clubhuizen die in dit boek speciale aandacht krijgen.
Toch is er al een eeuw lang nagedacht over ideale behuizing, de eerste jaren uit nood. Ook na WO II zijn de ruimten schaars. In Alkmaar ontstaat het initiatief om vier groepen in één onderkomen onder te brengen. Maar belangrijker voor de architectuur zijn vanaf 1948 de inspanningen van architect David Zuiderhoek. Aan de Academie voor bouwkunst in Amsterdam krijgen zijn studenten opdracht om padvinderstroephuizen te ontwerpen: het begin van studies die de ideale ruimte onderzoeken, stoer, met de mogelijkheid om vrij te spelen. De laatste decennia hebben factoren als brandstichtingen, brandweereisen en stadsuitbreidingen, maar ook financiële steun nieuwbouw gestimuleerd. Bijzondere vormgeving kon niet uitblijven.
De avontuurlijke architectuur van scouting is een inspiratiebron voor toekomstige clubhuisbouwers en voor liefhebbers van natuurlijke materialen. In het boek zien we hoe architecten van nu de binnenruimte verbinden met de buitenwereld. Er is ruim aandacht voor de boeiende ideeën die aan de ontwerpen ten grondslag liggen. Gelukkig zijn deze goed te begrijpen, zelfs wanneer je geen zeeverkenner bent. Een verrassend nieuwe invalshoek en een prachtig uitgegeven boek.


Geur van gedroogde appels

Willem van Toorn, De geur van gedroogde appels, Querido, euro 19,95


Onlangs verscheen er een nieuwe bundel verhalen van Willem van Toorn. Hij schreef eind jaren tachtig het succesboek Er moeten nogal wat halve-garen wonen, schrijvers in en over Bergen. Het nieuwste boek bevat veertien verhalen die beklijven. Drie ervan breng ik onder de aandacht.
Veel indruk maakte Na het beleg, waarin dichter Erik Leeman - Van Toorns alter ego – aan een kunstfestival deelneemt in het ontzette Sarajevo. De heenreis naar deze door de oorlog verminkte stad is prachtig beschreven. Met het vliegtuig vertrekt Erik naar Zagreb. Van daar voert de reis verder per bus. Indrukwekkend zijn de impressies van het schilderachtige landschap in contrast met de gruwelijke verwoestingen van de oorlog. “Ze keken van de smalle weg langs een berghelling neer op een dorpje aan een riviertje in het dal; in het midden waren van de moskee alleen nog de lijnen van de muren te zien, als bij de opgraving van een Griekse tempel; eromheen waren zwarte brandplekken van geruïneerde huizen; het orthodoxe kerkje en de overige huizen stonden met stallen, schuren, bloeiende boomgaarden en tuintjes vol bloemen in de zon alsof er nooit een oorlog was geweest.”
Het verhaal geeft scherp weer hoe een land op de puinhopen van een oorlog probeert verder te gaan. Oorlogsinvaliden strijden voor een uitkering, jonge, gezonde mensen schuiven de voorbije jaren onder het tapijt (“war is over”) en gaan over tot de orde van de dag, schrijvers vragen zich af hoe ze de recente geschiedenis kunnen verwoorden.
Een wonderschoon verhaal is Haarlem Station, dat eerder in de Muggenreeks verscheen. De sfeer, en Van Toorn is een meester in het oproepen van sferen, is die van het nachtelijk Haarlem begin jaren vijftig, met veel sigarettenrook. Een zeventienjarige jongen heeft net de bons gekregen van zijn grote liefde. Hij mist de laatste trein naar Amsterdam en loopt door de koude, natte, donkere stad….
Het titelverhaal, De geur van gedroogde appels, is aandoenlijk. De hoofdpersoon kijkt ’s nachts in de keuken van een oude boerderij in Frankrijk naar de maanlanding in 1969. Een bejaarde oma schilt appeltjes aan de keukentafel, omdat ze niet kan slapen. “Er zijn mensen op de maan (..) Moet u niet kijken?” Het vrouwtje begint krakend te lachen. Dat een volwassen man zich zo laat beetnemen door de televisie! Dat is niet echt, dat maken ze in Parijs, voor kinderen.
De verhalen van Willem van Toorn lijken dicht bij zijn eigen leven te staan. Ze zijn bedrieglijk ongekunsteld, eerlijk van toon, rijk, tot in de puntjes uitgewerkt: een genot om te lezen.


Bijzondere liefde

Johanna Adorján, Een bijzondere liefde, Mistral, 17,95 euro.


Maanden geleden attendeerde Marcella Houweling uit Bergen mij in de boekwinkel op een roman die zij vanuit het Duits heeft vertaald. Nu raden mensen ons vaker boeken aan, maar bij Marcella voelde ik dat het verhaal haar had geraakt. Vanaf dat ogenblik kon er geen dag voorbijgaan of ik tuurde naar het boek met het witte, mij niet aansprekende omslag. Mijn weerzin heb ik overwonnen. Het debuut van Johanna Adorján, Een bijzondere liefde, verdient een betere cover en is het boek van de week.
Het boek opent met een schokkende gebeurtenis: de grootouders van de vertelster maken op een zondag een eind aan hun leven, nadat vaststaat dat opa Istvan, genaamd Pista, niet lang meer zal leven. Grootmoeder Vera is dan eenenzeventig jaar oud. Een gebeurtenis waarover de familie jaren later nauwelijks spreekt, totdat een kleindochter een moedige speurtocht begint en op zoek gaat naar het leven van haar grootouders.
Het gegeven van een hoofdpersoon die op zoek gaat naar het verleden van familieleden is niet nieuw, maar de liefdevolle toon, de eenvoud en de respectvolle benadering waarmee alles is opgeschreven zijn bijzonder. Zij voelt zich verwant aan haar grootmoeder, die niet de gemakkelijkste was, en probeert zonder veroordeling haar en Pista’s geschiedenis te reconstrueren.
Dat blijkt een lastige opgave, omdat de grootouders niet spraakzaam waren over de gruwelijke ervaringen in hun leven die zij als Hongaarse joden ondergingen. Aan het woord komen vrienden en familieleden van Pista en Vera, afkomstig uit alle hoeken van Europa. Maar over te pijnlijke details wordt niet gesproken. En daarin schuilt de kracht van deze roman. Doordat niet alles wordt ingevuld ontstaat er enerzijds ruimte voor de verbeelding, maar nemen anderzijds grote thema’s als Jodenvervolging, kampervaringen, de Koreaanse oorlog, de Hongaarse Opstand en de vlucht naar Denemarken het verhaal niet over. Ze vormen een indrukwekkend decor. De aandacht blijft bij de liefde tussen Pista en Vera, hun karakters en een eventuele verklaring voor hun zelfdoding. “Ken je het verhaal van Tristan en Isolde?” vraagt oma aan een nichtje vlak voor de bewuste zondag.
Adorján schrijft een verhaal dat kwetsbaar en bij de mensen zelf blijft, dat je een warm gevoel geeft. Zonder zwaarmoedig te worden, met een bescheiden nieuwsgierigheid en subtiele humor. De sympathieke vertelster ontdekt dat zij weinig weet van haar afkomst, ze verbergt haar onzekerheden niet. Twee grootouders kiezen in het leven boven alles voor elkaar en voor hun manier van leven. Ze tonen de kracht om hun eigen weg te volgen. Marcella, dank.

 

 


 

Zeedrift

Jan Brokken, Zeedrift. Verhalen, Atlas, euro 19,90

‘Aan de noordkust van Curaçao ligt een baai waar het slecht toeven is. De wind is er gemeen, het water troebel.’ Door stroming van lucht en zee heeft er zich afval opgehoopt, de zeedrift. Daarin valt van alles te ontdekken. ‘Stukken glas waren door de zee geslepen tot het fijnste Murano.’ En ‘het donkere hout uit de Amazonewouden had de effenheid van een sculptuur gekregen’. Het mooiste afval komt van het verst weg, concludeert schrijver Jan Brokken, de bezoeker van het eiland. ‘Ver weg in kilometers. Ver weg in tijd’.

Deze regels gelden als motto voor de verhalen in Brokkens nieuwe bundel, Zeedrift. De schrijver spoelt aan op exotische bestemmingen. Guatemala, Egypte, Indonesië…. Als een ware strandjutter weet hij de mooiste verhalen te vinden en om te toveren tot een persoonlijk verslag. Hij bekijkt die vreemde werelden om zich heen met interesse voor politieke, sociale en culturele situaties in het land. Maar meer nog met een groot inlevingsvermogen in de mensen die hij er ontmoet. Daardoor ontstaan er prachtige portretten van mensen die de geur van hun land om zich heen hebben hangen. De levens die Brokken beschrijft hebben de dramatiek van een roman in zich. Dát te herkennen en er literatuur van te maken is zijn talent.

Zo is er de Arubaanse pianist en componist Padú Lampe. Hij veroverde het hart van Daisy, het mooiste meisje van het eiland, met zijn lied Abo sò, Jij alleen. De tragiek en triomfen in het leven van Padú zijn verweven met hete dagen en zoele avonden, de wereld van snelle Antilliaanse walsen, de mazurka’s en tumba’s.
In Cairo heeft Brokken een merkwaardige ontmoeting met twee broers die wanhopig verlangen naar een leven zonder oorlog, maar wier vader juist tegenovergestelde idealen heeft. Hij wil dat zijn kinderen vechten voor zijn land. De broers nemen de schrijver mee naar hun familie om er de maaltijd te gebruiken. Terug op zijn hotelkamer wordt de symboliek van deze familietragiek duidelijk. De pijn van vader en zonen is de pijn van het land: ‘Ik zag dat mijn lippen geel waren van de saffraan, diepgeel, alsof ik in het zand van de woestijn had gebeten.’
Dan is er nog de fascinatie van de schrijver voor scheepvaart en scheepsrampen. Je raakt in de ban van geheimzinnige verdwijningen en verschijningen van oude schepen.
Als het boek uit is en je je blik naar de grauwe Nederlandse lucht laat glijden, wens je meteen weer terug te kruipen in de verhalen van deze schrijver. 
 


Liefdeslied

Mariët Meester, Liefdeslied van een reiziger, Uitgeverij Balans, 19,50.

Het is een aanlokkelijk gegeven: vier maanden rondreizen in totale vrijheid. Het volle hectische leven loslaten en teruggeworpen worden op jezelf, zonder dat je met iemand uit de leefomgeving rekening hoeft te houden. En daarna pakt iedereen de draad weer op, alsof er niets is gebeurd.

In de pas verschenen roman van Mariët Meester is dat het scenario dat de documentairemakers en geliefden, Hannah en Ruben, met elkaar aangaan. Wanneer Hannah ingaat op een uitnodiging van twee filmmakers om als stagiair vier maanden in New York te werken, mag Ruben, samen met kat Igor, in een busje door Europa trekken en doen wat hij wil. “Het plan kwam voort uit de mentaliteit die hij en Hannah altijd al hadden gehad, en die inhield dat ze álles, echt álles uit dit ene leven wilden proberen te halen. (…) Iedere kans om mee te maken hoe het ook had kunnen zijn, moest je grijpen”.
Dat het geen inhoudsloze vlucht voor het bestaande leven is, blijkt uit de route die Ruben aflegt en de gedachten die in zijn hoofd opkomen. De reis voert van Frankrijk naar Spanje, vervolgens weer richting noorden naar Denemarken en Finland. De weg staat niet los van het verleden, nee, hoe langer Ruben reist, hoe meer hij de confrontatie aangaat met zijn leven. Tot slot bezoekt hij het dorp waar zijn vader heeft gewoond en zoekt hij contact met zijn halfbroer en halfzus.
Rubens reis wordt filmisch beschreven. Het is voelbaar dat Mariët Meester veel reist en oog heeft voor details die de sfeer van een locatie weergeven. Maar ook haar ervaringen met groepen mensen van verschillend komaf, geven diepgang aan de roman. In Liefdeslied van een reiziger wordt een lans gebroken voor de menselijke maat. “Spanjaarden waren niet de zelfgenoegzame, gemakzuchtige wezens geworden die je zag in andere landen waar de welvaart toenam. (…) Spanjaarden realiseerden zich dat de destructieve krachten op de loer bleven liggen, dat je altijd waakzaam moest blijven”.
Gedurende de tocht voelt Ruben hoezeer hij is gehecht aan Hannah. Dit wordt geloofwaardig gebracht, als lezer lift je vol vertrouwen mee. Maar vanaf het begin weet je ook dat er iets vervelends dreigt. Het boek heeft kenmerken van een reisverhaal maar op het eind wint de romanstructuur. Meester heeft het verhaal een wending gegeven die net zo kordaat is als de wijze waarop het verhaal begint. Zij is het verhaal aangegaan, is de reis begonnen en heeft de termijn afgesloten, maar uiteindelijk is er wél wat gebeurd! 


Kiek

 
Mariken Jongman, Kiek, uitgeverij Lemniscaat, euro 13,95

‘Vroeger zei ze natuurlijk geen ‘genadewip’. Vroeger zei ze dat ik was ontstaan uit de liefdevolle samensmelting van haar eitje met het zaadje van een onbekende gever.’ Aldus de veertienjarige Kiek over haar moeder.
Kiek heeft er alles voor over om erachter te komen wie de man is die haar heeft verwekt. Veel aanknopingspunten zijn er niet. Ze weet alleen dat hij de bassist was van een bandje uit die tijd. Met haar vriendin Lottie bedenkt ze een manier om haar vader toch een gezicht te geven. Zij gaan een portret samenstellen uit verschillende bassisten, de neus van de een, de oren van de ander en zo verder. De bassist van de schoolband is hun eerste model. Om zoveel mogelijk over het karakter en de eigenschappen van bassisten te ontdekken, zal Kiek hem interviewen, terwijl Lottie ondertussen schetsen van de neus maakt.
‘”Weet je wie ook werd samengesteld?” fluisterde Lottie vanuit haar mondhoek. ”Het monster van Frankenstein.” Lottie had gelijk. Het monster van Frankenstein was ook samengesteld uit verschillende lichaamsdelen. Niet van bassisten natuurlijk, maar van lijken.’ Het lukt de vriendinnen niet alleen om een ‘echt’ portret van Kieks vader te maken, ze komen ook steeds meer te weten over zijn ware identiteit.
Kiek is het tweede boek voor twaalf plussers van de schrijfster Mariken Jongman, en weer net zo fris en energiek als haar debuut, Rits. Het zijn boeken waar je een goed gevoel door krijgt. Jongeren die zich in een lastige situatie bevinden gaan niet bij de pakken neerzitten, maar met vindingrijkheid en creativiteit pakken ze dingen aan en lossen die op. Zo helpen ze zichzelf en hun omgeving. Jongman schrijft ogenschijnlijk luchtig en gemakkelijk leesbaar, maar het is knap hoe ze verschillende verhaallijnen passend in elkaar schuift en mooie metaforen gebruikt voor onderwerpen die ze ter discussie wil stellen. Frankenstein, het boek dat Kiek aan het lezen is, roept elke keer vragen op die ook betrekking hebben op haar eigen situatie. ‘Victor zag het levende monster voor het eerst, schrok, en ging er als een haas vandoor. Nou vraag ik je! Ik vind het zielig. Ik zou ook kwaad zijn, als ik het monster was. Hij heeft er niet om gevraagd om gemaakt te worden. Het ene moment bestaat hij niet, het andere moment moet hij het maar alleen uitzoeken.’
Daarbij valt er genoeg te lachen en is er altijd het spel met de taal en het plezier van het schrijven. Een tip voor kinderboekenweek.


 

De Parelduiker

 

De Parelduiker, Bas Lubberhuizen/Stichting het oog in ’t zeil, 9,50.

Een parelduiker heeft een avontuurlijk beroep. Hij weet nooit zeker wat hij uit de enorme zee naar boven haalt, maar hij gaat voor het mooiste, de zuiverste parel. Niet voor niets heet het boek van de week De Parelduiker. Alleen, het boek is deze week geen boek maar een tijdschrift.
Deze zomer heb ik genoten van drie Parelduikers. De eerste, uit mei, is volledig gewijd aan dichter/beeldend kunstenaar Chris van Geel. Het verschijnen van dit nummer valt samen met de opening van een tentoonstelling over hem in museum Kranenburgh. De facetten die in de uitgave samenkomen, Van Geels poëzie, zijn leven en zijn beeldende kunst, geven een prachtig uitgebalanceerd beeld van een interessant kunstenaar. Eindelijk komen gedichten, foto ’s en brieven naar buiten die jarenlang op een afgelegen zolder in de Egmondse duinen hebben gelegen. Van de aandacht voor de expositie profiteert het tijdschrift. Maar daarna is het stil, want literaire bladen vinden maar moeizaam hun weg naar het grote publiek.
Het daaropvolgende nummer is minstens zo onderhoudend. Ik pik er twee voor de omgeving relevante stukken uit. Een onbekend gedicht van Lucebert, Apollensdorfse Elegie, wordt ingeleid met een nieuwsgierigmakend verhaal van Peter Hofman, Tranen om Anneliese. Hierin schrijft Hofman over een vroege verliefdheid van Lucebert. Over een meisje dat hem bevrijdt van de Arbeitseinsatz in 1944 aan de Elbe, in het dorp Apollensdorf, op een moment dat hij het werk daar niet meer aankan. Het gedicht krijgt nu een onvermoede inhoud, alsof een uitdagende gesloten schelp is open gewrikt.
Het tweede stuk betreft een ongepubliceerde tekst van Ida Gerhardt over dans en dichterschap en een brief die zij schrijft aan zusters van het Sint-Liobaklooster in Egmond. Gerhardt verblijft jaarlijks in het klooster om er in rust te werken. Eens houdt zij voor de zusters een verhaal over de dans, die zo betekenisvol voor haar is. In een dankbrief voegt zij daar iets aan toe, een herinnering aan een gesprek met een koorddanseres. De toevoeging raakt volgens Gerhardtkenner Mieke Koenen een centraal thema in het werk van Ida Gerhardt: `dat je in leven en werk steeds bezig bent een wankel evenwicht te bewaren en het gevoel hebt dat je elk moment kan vallen’.
Zo biedt het tijdschrift telkens een verrassende speurtocht naar verborgen schatten. Ook in het derde nummer, met prachtverhalen over Gerard Reve, Johnny (the selfkicker) van Doorn en Slauerhoff, niet hoogdravend, maar juist warm en menselijk. Je wordt als lezer onderdeel van een wereld waarin nog zoveel te ontdekken valt.


De tocht van de olifant

José Saramago, De tocht van de olifant, Meulenhoff, 19,95 

Uitgangspunt is een klein historisch gegeven. In 1551 schenkt de koning van Portugal een Indiase olifant aan zijn neef Maximiliaan van Oostenrijk. Het verhaal is eenvoudig: de olifant, Salomon geheten, moet naar Wenen. Eerst naar het Spaanse Valladolid, waar Maximiliaan op dat moment verblijft, vervolgens met de Oostenrijkse karavaan naar Wenen. Deze tocht, met in het middelpunt Salomon en zijn Indiase kornak (olifantenverzorger), beslaat de gehele nieuwe roman van José Saramago.

Alleen al de praktische uitvoering van de reis, die begint in Lissabon, is een genot om je voor te stellen. Want hoe vervoer je midden zestiende eeuw een olifant? Voorop Salomon met hoog op de schouders van het dier de kornak. Daarachter de ossen met op de ossenwagen een reusachtige watertobbe en enorme balen voer. Dan volgt een peloton van de ruiterij, ter bescherming van de stoet, en een militaire wagen getrokken door twee muilezels. Toevallige toeschouwers kijken hun ogen uit. De wegen zijn slecht, de wolven bedreigend en de tocht zal niet sneller gaan dan de langzaamste, de os. Bovendien is het de gewoonte van Salomon om ’s middags drie tot vier uur te rusten, te baden en te modderbaden.
Niet alleen het vervoer, ook de onderlinge machtsverhoudingen en eerkwesties leveren problemen op. Saramago beschrijft alles met veel humor en een scherp oog voor menselijke verhoudingen. De vraag wie de eer krijgt om Salomon over te dragen aan de aartshertog van Oostenrijk veroorzaakt zelfs bijna een oorlog. Saramago bespot de machthebbers, maar wekt ook sympathie en mededogen voor zijn personages. Vooral voor de wijze kornak, die door zijn monopolypositie als verzorger van Salomon een zeker aanzien krijgt, maar uiteindelijk niets voorstelt, zelfs zijn prachtige naam Subhro wordt door Maximiliaan niets ontziend vervangen door Fritz. ‘Dat is een gemakkelijk te onthouden naam, bovendien zijn er al enorm veel fritzen in oostenrijk, jij wordt gewoon de zoveelste, maar wel de enige met een olifant’.

De stem van de schrijver, die becommentarieert en meedenkt, is voortdurend aanwezig. Hij is onderdeel van het verhaal en reflecteert tegelijkertijd, hij is geestig, filosofisch of theoretisch. Als de kornak het even te kwaad krijgt door ‘de laatste desastreuze gebeurtenissen’, deelt de verteller mee: De kornak ‘had even een vriendschappelijke hand op zijn schouder nodig, en dat is alles wat we hebben gedaan, onze hand op zijn schouder leggen.’

De Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago is 86 jaar. Naar zijn eigen zeggen is De tocht van de olifant zijn laatste roman. Een prachtige afsluiting van een bijzonder oeuvre.  


Juffrouw Jole

 
Andrea Vitali, Juffrouw Jole wil een man, Uitgeverij Serena Libri, 19,95.

In het idyllische stadje Bellano aan het Comomeer in Italië woont huisarts en bestsellerauteur Andrea Vitali. Hij schrijft prachtige verhalen die zich altijd rond zijn woonplaats afspelen. Onlangs verscheen één van zijn vroege romans in een Nederlandse vertaling: Juffrouw Jole wil een man. Een juweeltje!
Typiste Jole Vergara is 37 jaar en woont in een flatje aan de rand van het Comomeer. Haar ouders zijn overleden. In haar leven spelen nog een paar mensen een rol van betekenis: tante Ortensia, die geen familie is maar een oude vriendin van haar moeder, en drie collega’ s van de gemeentelijke secretarie, te weten secretaris Restelli, de bode Troilo en Iris Rusconi. De ambtenaren zitten samen in één krappe kantoorruimte en zijn veroordeeld tot elkaar. Als bij een onaangekondigde inspectie blijkt dat Iris haar werkzaamheden slecht uitvoert, ontstaat een boeiend menselijk spel van jaloezie en frustratie. De gestoken Iris richt haar pijlen op secretaris Restelli, die het aan zijn prostaat heeft en de eenzame fatsoenlijke Jole. Wanneer tante Ortensia naar Bellano komt om bij Jole in huis te sterven, ontstaat het vermoeden bij Iris en later bij de andere collega’s dat Jole een geheime minnaar heeft, genaamd Dante. Jole wil haar privéleven niet prijsgeven en werkt zich steeds verder in de nesten.
Vitali speelt in deze vertelling met het genre van de middeleeuwse komedie, dat tegenovergesteld was aan de tragedie en stond voor een goede afloop. Al vroeg in de roman verwijst hij naar de Divina commedia van Dante: `Het hele Comomeer had een paar dagen net zo goed op een planeet van ijs kunnen liggen; zelfs de geluiden en de enkele woorden die de mensen op straat met elkaar wisselden leken vanuit een soort winterslaap te komen’. Het meer van ijs waarin Dante in zijn Goddelijke komedie Lucifer plaatst. Maar het is niet deze dubbele bodem die ontroert, het is de eenvoud. In dit boekje van net 150 bladzijden waarin weinig gebeurt, word je direct geraakt door de vanzelfsprekende manier waarop de schrijver de alledaagse dingen uit een mensenleven beschrijft. Hij is een geweldig observator, zo treffend als hij de op het eerste oog onbelangrijke reacties en gedragingen van mensen uitvergroot. Met als wapen zijn gedoseerde opbouw, prikkelt Vitali de lachspieren en meteen volgt het besef dat je eigenlijk lacht om iets dat heel gewoon is. De bescheiden en verlegen Jole, de egocentrische en ongeïnteresseerde Iris, de geprikkelde en door zijn prostaat geplaagde secretaris, ze laten je niet meer los. 
 

Het woud en de citadel, memoires van Simeon ten Holt

 
Simeon ten Holt, Het woud en de citadel, memoires van een componist, Uitgeverij Balans, euro 29,50
Componist Simeon ten Holt, inmiddels 85 jaar, houdt al zestig jaar dagboeken bij. Deze geschriften, en ook herinneringen, beelden, brieven en documenten vormen de bronnen voor zijn memoires. Een fors boek over een rijk en gevuld leven van een toegewijd componist die in de loop van de twintigste eeuw zijn eigen taal en toon vond naast de opvattingen die er over de moderne muziek waren.
De kunstenaar die zich door een woud vecht naar een door grachten met monsters omgeven citadel. Binnen de muren zal hij zichzelf vinden. Deze metafoor staat model voor Simeons wijze van creëren. ‘Je wordt gewaar dat de binnenkant van de onneembare burcht buitenkant en de buitenkant binnenkant is, en dat de iemand die je tegenkomt op je heeft gewacht en niemand anders dan jezelf is.’ En geen mens kan je vertellen hoe deze transformatie gebeurt.
 
Dat het leven voor muziek centraal staat zal niemand verbazen. Werken en worstelen in eenzame afzondering, premières, reacties van critici en collegae en de vele contacten en vriendschappen die hun oorsprong hebben in de muziek, het komt allemaal voorbij. Een belangrijke rol in Simeons jeugdjaren is weggelegd voor componist Jakob van Domselaer.
Het kunstenaarsdorp Bergen vormt de thuishaven in het leven van Simeon. Hij is er geboren, heeft er het grootste deel van zijn leven gewoond en keerde er steeds weer terug na periodes in Parijs, Zuid Frankrijk en Amsterdam. Regelmatig vallen er namen van bekende Bergense kunstenaars, maar ook van andere personen die zeker voor degenen die hier zijn opgegroeid of wonen niet vreemd zullen zijn. Dat maakt het lezen van deze memoires extra boeiend.
Voor Simeon ten Holt was het schrijven in zijn dagboeken een voorwaarde voor het componeren: ‘De dagboekschrijver had de opdracht de ervaringen om te zetten in vruchtbare grond waarop de notenschrijver kon gedijen. Uit de compost verrees de notenschrijver. Er bestond een directe relatie tussen dagboekschrijver en notenschrijver, tussen compost en compositie.’
Van deze ‘compost’ heeft Simeon in zijn memoires geen strakke compositie gemaakt, maar hij werkte wel chronologisch vanaf zijn geboorte in 1923 tot aan nu. Hierbinnen heeft hij de hoofdstukken losjes op onderwerp gerangschikt, waardoor ondanks de vele gebeurtenissen en namen de lezer voldoende houvast heeft. En alles op een bescheiden toon, zichzelf niet ontziend, en in een stijl die afwisselend staccato (sommige dagboekcitaten) en legato is, zoals de mooie gedragen stukken die later als herinnering zijn opgeschreven.
Een bijzonder mens, een bijzonder leven, een bijzonder boek.
 

Constant, De late periode

Trudy van der Horst, Constant De late periode, BnM uitgevers, 49,50
 
Constant Nieuwenhuys is niet alleen oprichter van de Cobrabeweging. De kunstenaar, overleden in 2005, heeft een bijzonder en breed oeuvre nagelaten. Een prachtige expositie in het Stedelijk Museum Schiedam tot en met 22 maart, en een indrukwekkend nieuw boek over zijn werk van Trudy van der Horst tonen aan dat Constant is blijven ontdekken.
De titel van het boek “Constant, De late periode”geeft maar summier aan wat in het boek tot leven komt. Eerdere periodes in zijn werk, waaronder Cobra en New Babylon, komen ruim aan bod en worden vergeleken met die late jaren 1969-2005. Van der Horst besteedt kort aandacht aan de tijd dat hij in Bergen verblijft. In 1941 vindt zijn vriendin en latere echtgenote Matie van Domselaer, dochter van de componist Jacob van Domselaer, een atelierruimte voor hem in de St. Antoniusstraat. Constant wil in deze jaren zuiver ontdekken vanuit het zelf zien, zonder afleiding door andere schilders of schilderijen. Mogelijk hebben leden van de Nieuwe Kring, waaronder Domselaer en Henri ten Holt hem in deze periode gewezen op het belang van Cézanne, die hij in latere jaren zal bewonderen. Begin 1943 vertrekt Constant noodgedwongen weer naar Amsterdam.
Vanaf 1969 kiest hij voor figuratieve schilderkunst hoewel deze vorm volgens velen dood is. Gedreven schrijft Van der Horst over zijn keuze voor het colorisme en de fasen die hij daarbij doorloopt tot zijn dood. Zijn werkwijze waarin laag voor laag de kleurnuance wordt versterkt, voert zij terug tot de renaissance. Zijn grote voorbeelden zijn Titiaan, Delacroix en Cézanne. Typerend voor Constant is zijn maatschappijkritische houding in combinatie met zijn techniek en kleurgebruik.
Aan de uitgebreide studie over Constant is een doctoraalscriptie voorafgegaan. Hier en daar drijft deze boven, vooral bij de beschrijving van de theoretische context en bij uitvoerige beeldbeschrijving terwijl de reproductie ernaast staat. Is dit echt hinderlijk? Nee! Van der Horst neemt je boeiend mee op reis naar een indrukwekkend kunstenaarsleven. Zij weet dingen die een ander niet kan weten. Van der Horst is de weduwe van Constant en zat niet alleen dicht bij het vuur maar maakte er ook deel van uit. De scriptieopzet die soms doorschemert, brengt ook evenwicht, de juiste afstand. Het boek is buitengewoon fraai gemaakt met veel afbeeldingen die op een spannende manier met elkaar communiceren. We zien voorstudies naast het uiteindelijke schilderij, twee fasen van eenzelfde werk, klassieke inspiratiebronnen en waar ze toe hebben geleid en wonderschone schilderijen. Dit boek is een waardevolle aanvulling op de werken die over hem zijn verschenen.
 

Een doodgewoon leven

karel Capek, Een doodgewoon leven, Wereldbibliotheek, 16,50 euro

‘In mijn leven is niets buitengewoons en dramatisch voorgevallen [..] Ik moet zeggen dat ik, wanneer ik er zo op terugblik, ronduit genoegen schep in de rechtlijnige en duidelijke weg die achter me ligt. [..] Wat een mooi, gewoon en oninteressant leven!’ is de conclusie van een man die op het eind van zijn leven besluit zijn verhaal op te schrijven.
Hij vertelt over zijn gelukkige jeugd in Tsjechië met een liefhebbende moeder en een arbeidzame vader die meubelmaker was. In heldere, spaarzame woorden en toch zeer nauwgezet beschrijft de man hoe hij als slimme jongen naar het gymnasium ging, hoe hij later in Praag ging studeren maar door een kleine ontsporing zijn studie beëindigde en bij de spoorwegen solliciteerde. Van daaruit begon zijn loopbaan als spoorwegbeambte. Langzaam klom hij hogerop en wist het te schoppen tot stationschef, terwijl hij ergens in dit traject een vrouw trouwde. De man schets een overzichtelijk, rustig leven waarin de gebeurtenissen in een duidelijk verband staan en elkaar noodzakelijk opvolgen. ‘Een kleine schone speelgoedwereld’ noemt hij het, waarin hij het spel ‘ons stationnetje’ speelde. Hoewel we af en toe kleine scheurtjes ontdekken, is hij overtuigd van zijn geluk. ‘Dit is de hele waarheid’. Maar is dit de hele waarheid?
Twee stemmen in de man raken in een twistgesprek: de een verdedigt zijn verhaal, de ander trekt alle verbanden die gelegd zijn in twijfel, breekt ze af en legt weer nieuwe verbanden. Al kibbelend lopen ze het geleefde leven weer af. Van de keurige orde is niets meer heel. En elke keer besluit de man dat dit dan toch echt het hele verhaal was. En elke keer blijken zich weer nieuwe variaties en mogelijkheden voor te doen.
Door de fases van zijn leven steeds opnieuw vanuit en ander standpunt te bekijken, komt de man vlak voor zijn dood tot de ontdekking dat hij uit ontelbare personen bestaat. De mogelijkheden zijn onbeperkt. En ook anderen hebben elk een menigte in zich waardoor je dus in ieder ander een stuk van jezelf terug kunt zien. En dat in een doodgewoon leven van ‘zo’n beste, keurige man’. ‘Je zou niet zeggen dat het zo omvangrijk, zo glorieus was!’
 
In dit grootse boek van nog geen tweehonderd pagina’s imponeert de Tsjechische schrijver Karel Capek (1890-1938) met zijn lichte, heldere en humoristische stijl en zijn vermogen de vermeende waarheid voortdurend op zijn kop te zetten en de oneindigheid van menselijke gedragingen zichtbaar te maken. In een nieuwe vertaling is dit boek uit 1934 gelukkig weer leverbaar.
 


Suikerspin

 
Erik Vlaminck, Suikerspin, Wereldbibliotheek, 17,50.
 
Wie bij de titel Suikerspin denkt aan een mierzoet boek komt bedrogen uit. Erik Vlaminks roman over vier generaties kermisondernemers is rauw, hard en Vlaams. Humor doorbreekt het beeld van een naargeestig kermisbestaan.
 
In ons nieuwjaarsgeschenkje van 2004, Anastasia, voert Erik Vlaminck voor de eerste keer personen op uit zijn pas verschenen boek. De vroeg twintigste-eeuwse kermis wordt daarin beschreven door een kermisbezoeker. Het is de betovering die spreekt. Veel uitgaven over de kermis richten zich op dit beeld van een bruisende wereld waarin feestvierders uit de dagelijkse sleur ontsnappen. In Suikerspin klimt Vlaminck achter de kermisfaçades en onderzoekt hij de familiegeschiedenis van Arthur van Hooylandt, die met de draaimolen van zijn vader op de kermis staat. Daarmee gaat een beerput open.
Als in een historische roman beschrijft Vlaminck het verleden van opa Jean-Baptist van Hooylandt die rond 1900 met een rariteitenkabinet rondtrekt. Eerst met zijn broer als zeemonster maar dat gaat fout: ‘na verloop van tijd kende hij van danige zattigheid het verschil tussen zijn voorkant en zijn achterkant niet meer. En zo heeft hij de zaak bijna de dieperik in gedronken want de mensen wilden een verschrikkelijk zeemonster zien waar ze rillingen van op hun ruggengraat kregen, en geen zatte paljas die zeverend en zwijmelend in zijn waterbak zat’. Vervolgens met een Siamese tweeling, Joséphine en Anastasia Froidecoeur.
Steeds wordt het verhaal onderbroken en komen afwisselend kleinzoon Arthur en achterkleinkind Tony van Hooylandt aan het woord. De vader grof, teleurgesteld in het leven en kankerend op de samenleving, Tony beschaafd, leraar van beroep, vol van zorgen over zijn vader. Zo verspringt het verhaal spannend in tijd en van toon. Telkens ontdekken we meer van wat er zich in de levens van de hoofdpersonen afspeelt.
Wanneer een schrijver zich bij Arthur van Hooylandt meldt, omdat hij een onderzoek verricht naar het huiveringwekkende verleden van Jean-Baptist met zijn Siamese tweeling komt alles in een stroomversnelling. In het streven om te overleven krijgt aan de onderkant van de samenleving iedere generatie te maken met bedrog en wandaden. Die worden door Vlaminck als in een detective ontrafeld.
Deze roman is confronterend. Het taalgebruik en de misdragingen zijn soms schokkend. Dat toont de beeldende kracht van de schrijver aan. Je ruikt het verleden dat grondig is onderzocht. De ondernemersrisico’s van rondtrekkende kermisexploitanten, de lichamelijke onmogelijkheden van de Siamese tweeling, de maatschappelijke positionering en niet te vergeten de menselijke emoties die tot pijnlijke keuzes leiden, maken dit boek tot een wereld die je wel moet accepteren.
 

 

De vijgenboom

Ramiro Pinilla, De vijgenboom, uitgeverij Cossee, euro 19,90 
  
Jarenlang zit Rogelio als een kluizenaar op een stoel naast een vijgenboom. Waarom hij daar zit, wat eraan voorafging en hoe het met hem afloopt leest u in dit schitterende verhaal van de Baskische schrijver Ramiro Pinilla.
Tijdens de Spaanse Burgeroorlog, in 1937, is een vijftal Falangisten (gewapende aanhangers van generaal Franco) op weg naar een huis in het Baskische dorp Getxo. Een dorpsgenoot heeft hen erop gewezen dat in dit huis een leraar woont die communistische sympathieën heeft. Deze beschuldiging vormt voldoende aanleiding voor een executie. Gebieden die al in handen zijn gevallen van de nationalisten worden door Falangisten nog extra gezuiverd van ‘rooien’ en Baskische opstandelingen. De vijf vallen het huis binnen en nemen de leraar en zijn oudste zoon mee naar buiten. Grootmoeder, moeder, zus en jongere broer van tien jaar blijven achter. Een van de mannen van de Falange, Rogelio, raakt tijdens deze actie in de ban van de kille blik van de tienjarige jongen. Ook tijdens de executie en daarna raakt hij de op hem gerichte ogen niet kwijt. Hoe zijn medestrijders ook proberen hem gerust te stellen, hij is ervan overtuigd dat deze jongensblik alleen voor hem bedoeld is en hij voelt zich erdoor gedwongen de volgende dag terug te keren naar de plaats van executie. De dode lichamen ziet hij niet meer, maar er zijn sporen van een vers graf. Een stok staat in het midden van het zand geplant. En weer is er de blik van de jongen die hem woordeloos bevelen geeft. De stok moet water krijgen uit de gieter die ernaast staat. Rogelio besproeit de stok, die later het begin van een vijgenboom blijkt te zijn. Het prille boompje moet worden beschermd tegen belagers die proberen het te vernietigen. Rogelio houdt de wacht en jaagt boosdoeners weg.
Dag en nacht waakt Rogelio naast de vijgenboom, jarenlang.
Op een wonderschone manier komen in deze vertelling alle motieven samen die mensen in tijden van oorlog bewegen dingen te doen en te laten. Verraad, lijfsbehoud, inhaligheid, schuld, rechtvaardigheid, macht, spijt, boetedoening, heldhaftigheid, lafheid, leiderschap, gehoorzaamheid, armoede, rijkdom, angst, kameraadschap. Goed en fout zijn onlosmakelijk verbonden en komen naar voren in vrijwel alle personages.
De roman is geschreven in een stijl die sober en subtiel is, waarin hevige emoties natuurlijk overkomen en waarin de absurditeit van menselijke gedragingen regelmatig doen glimlachen.
Voor mij is Ramiro Pinilla, die al in 1923 in Bilbao is geboren en tot de grote Baskische schrijvers behoort, een ontdekking. Ik hoop dat dit boek de aanleiding zal vormen voor de vertaling van zijn gehele oeuvre.
 
 

Het geheim van mijn moeder

 
Rita Verschuur, Het geheim van mijn moeder, Cossee, 19,90.
Van de Bijenkorf tot de Eerste Bergensche Boekhandel, overal liggen stapels van het vorige week verschenen boek van Rita Verschuur, Het geheim van mijn moeder. De eerste roman voor volwassenen van een schrijfster uit Bergen die bekendheid kreeg dankzij haar prachtige kinderliteratuur en de vertaling van het oeuvre van Astrid Lindgren.
 
In de begrafenisrede spreekt de dochter nog over een dappere moeder. Twee weken na de dood van haar moeder komt er een boodschap binnen via de fax. Na dit bericht lijkt alles anders. Er volgt een zoektocht naar de relatie tussen moeder en dochter, een verhouding die vroeg wordt verstoord wanneer moeder kiest voor een andere man en het ouderlijk huis verlaat.
Het lijkt of Verschuur de overgang van kinderboek naar volwassenenboek maakt tijdens het schrijven van deze autobiografische familiegeschiedenis. De ervaringen in het eerste deel van het boek zijn belevingen van een kind en geen bespiegelingen van een volwassene. Een kind dat gebukt gaat onder spanningen tussen moeder en stiefmoeder en onder de liefde van haar moeder voor mannen. In dit boek schrijft zij over haar kinderboeken: `Dit was precies waar het me om ging. Voor zover dat mogelijk was mijn volwassen ik buitenspel zetten’. Maar vanaf de volwassen leeftijd kan zij die `ik’ niet meer opzij zetten. Het is een omschakeling die in het boek vloeiend verloopt.
Vanaf die wending heb ik het boek in één adem uitgelezen. Het gaat gelukkig niet alleen over een pijnlijke en kribbige relatie tussen moeder en dochter. Het is een onderzoek geworden naar een overlevingstocht van generaties. Een reis naar voorouders in Nederlands-Indië, naar de vooroordelen en verdraaiingen van de werkelijkheid. Maar vooral een tocht naar de kern van de mens, op zoek naar eigenwaarde, naar status, angstig bouwend aan een gepantserde huid, op zoek naar liefde.
Rita Verschuur schrijft altijd zorgvuldig, al bespeurde ik gevoelsmatig veel verkleinwoordjes. Door de variatie en de opbouw blijft het boek tot het eind toe verrassen. Er is nog een reden, en wellicht de belangrijkste, waarom ik niet meer kon stoppen met lezen. In alles voel je als lezer de noodzaak voor de schrijfster om dit verhaal te schrijven en de noodzaak om te weten waarom het leven een bizarre wending heeft genomen. Niet om te kwetsen, niet om gelijk te krijgen maar omdat er geen andere weg overblijft. Dit boek is nooit geschreven om een bestseller te worden, maar heeft alles in zich om dat wel te zijn.
 


Vrije Val

Juli Zeh, Vrije val, 19,95, Ambo/Anthos Uitgevers.
 
Per toeval heb ik mij laten verrassen door een literaire thriller. Sinds mijn twintigste verjaardag lees ik geen spannende boeken meer. Op mijn lijstje stond het nieuwste boek van Juli Zeh, een aanstormend Duits literair talent. Volgens de achterflap heeft Zeh’s nieuwe roman alles in zich: spanning, romantiek en een wetenschappelijk avontuur. Een ideaal boek voor in de vakantie leek mij. Nu kan ik zeggen: een aanrader voor de maand van het spannende boek (juni) én de vakantie, maar bepaald geen licht niemendalletje.
 
Juli Zeh heeft zowel een roman geschreven die er toe doet, als een ingenieuze thriller waarbij je tot het einde toe benieuwd bent wat de echte drijfveren van de personages zijn. In de roman worstelen de bevriende fysici Oskar en Sebastian met hun plaats in het leven, met elkaars wetenschappelijke overtuigingen en met hun liefdesleven. De mens wordt kwetsbaar neergezet: ‘Weinig mensen beheersen de kunst om bang te zijn voor de juiste dingen.’‘ Ze hebben niet door dat ze zich in de wachtkamer van de eigenlijke catastrofe bevinden, die niet bestaat uit de smak, maar uit de vrije val.’‘De mens is een gat in het niets’.
In de krimi wordt Sebastian gedwongen om een vriend van zijn vrouw te vermoorden, nadat zijn zoon is ontvoerd. Twee rechercheurs moeten ondanks rivaliteit de moordenaar ontmantelen en het moordvraagstuk oplossen. Dat lukt, maar door de complexe karakters en ethische vraagstukken blijven er twijfels over wie de werkelijke schuldige is, ook wanneer alles lijkt opgelost. ‘We zeggen dat het ongeveer zo is gegaan’.
Fysica en ethiek in één boek, het vraagt wat van de lezer en dat wordt versterkt door een te klein lettertype. Maar de personages zijn geloofwaardig. Moeilijke hersenspinsels ontstaan op logische momenten, zoals tijdens een lange treinreis of door angst. De gezinssituatie van Sebastian, de levens van Oskar en van de commissarissen Rita Skura en Riet zie je herkenbaar en beeldend aan je voorbijtrekken. En dan is er een schrijfster/waarneemster die alles overziet en vanuit vogelperspectief op filmische wijze haar waarheid componeert. Aan het einde van de geschiedenis neemt zij afscheid van haar personages met de woorden: ‘Zijn schedel is opengespleten, een gespartel, een gefladder, iets wringt zich naar buiten. Het rilt, spreidt zijn vleugels, verspreidt een iriserend licht van onaardse schoonheid, mooier dan alles wat Riet ooit heeft gezien. Tot ziens, waarnemer, denkt de commissaris. Een vogel klimt in de lucht. Vindt zijn zwerm. Cirkelt boven de stad’. Haar lezers zullen moeten wachten tot haar volgende boek verschijnt.
 


De liefde dus

Joke J. Hermsen , De liefde dus, Arbeiderspers 2008, euro 18,95
‘Het was in die tijd dat ik kennismaakte met de eerste vrouw met een geest superieur aan de mijne, en de meest intelligente onder degenen die ik ooit zou leren kennen. Zij heette madame de Charrière en was een Hollandse uit een van de beste families van dat land.’ Dit zijn woorden van de Franse filosoof/schrijver/politicus Benjamin Constant. De vrouw die hij beschrijft, Madame de Charrière, is de achttiende-eeuwse schrijfster Belle van Zuylen. Op eenendertigjarige leeftijd trouwt zij en verlaat Nederland om zich in Colombier, Zwitserland te vestigen. Een vooruitstrevende vrouw die leeft in een tijd waarin ontplooiingskansen voor vrouwen niet vanzelfsprekend zijn.
In de roman ‘De liefde dus’, die afwisselend bestaat uit brieven, dagboeken en reisbeschrijvingen, een vorm die nauw aansluit bij de genres van de achttiende eeuw, beschrijft Joke Hermsen een tweetal roerige jaren uit het leven van Belle van Zuylen. Zij doet dat in toon en taal zo overtuigend, dat je meent de authentieke dagboeken en brieven te lezen. Gaandeweg krijg je een beeld van belangrijke denkers en gedachten van die tijd, de spanningen die leefden aan de vooravond van de Franse Revolutie.
Aan het begin van het boek verblijft Belle in een kuuroord in Payerne. Zij bevindt zich in een crisis omdat haar veel jongere minnaar hun verhouding heeft verbroken. Het verstandshuwelijk met de aardige maar saaie heer de Charrière maakt haar niet gelukkig. Zij wordt heen en weer geslingerd tussen rede en hartstocht, een worsteling die past in de tijd tussen Verlichting en Romantiek: ‘Alleen passie is in staat passie te begrijpen. Telkens als de rede met de hartstocht in debat gaat, laat ze duidelijk merken er niets van te snappen. Ziedaar mijn verhouding tot mijn vader. Ziedaar mijn verhouding tot mijn man. Ziedaar de verhouding van mijn hart tot mijn geest. We spreken twee verschillende talen en worden het nooit eens.’
Belle van Zuylen vertrekt in haar eentje naar Parijs. Daar logeert ze bij de omstreden arts Cagliostro. Met deze dokter, wiens roem ‘dankzij zijn wonderbaarlijke genezingen en fameuze liefdeselixers zo ras is gestegen’, voert ze gesprekken over haar ‘kwaal’ en over de medische wetenschap. Hij komt naar voren als een moderne arts die inziet dat psychologische oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan lichamelijke klachten.
Dit boek is spannend en smeuïg door het hartstochtelijke verlangen naar een verloren liefde en tegelijkertijd boeiend en leerzaam door de beschrijving van maatschappij en ideeëngoed aan het einde van de achttiende eeuw. Een aanrader!
 

Hortobágy in Hongarije

Crossbill Guides, Hortobágy and Tisza River floodplain, Hungary, KNNV, Wild Guides, euro 21,95.
 
Een boekhandelaar op zoek naar een bijzondere uitgave om over te schrijven, voor een column als `Boek van de week’, stuit soms op uitzonderlijke initiatieven die helaas een te klein publiek aanspreken. Tant pis, het zij zo voor deze keer. Vandaag gaat de aandacht uit naar de nieuwe Crossbill Guide, het prille zevende deel van een snel groeiende reeks natuurgidsen over bijzondere natuurgebieden in Europa.
Vanaf de eerste uitgave in 2005 houden wij in onze winkel de deeltjes keurig op de plank. Een leek op ecologisch gebied erkent wel de waarde, maar brandt zich niet aan de inhoud. Dat laatste blijkt een misverstand, de nieuwe gids over het natuurreservaat Hortobágy in Hongarije is de moeite van het lezen waard en dat geldt ook voor de vorige delen.
Initiatiefnemer, bioloog, schrijver, fotograaf, uitgever en reisleider Dirk Hilbers is een gedreven non-fictieverteller. Over hoeveel auteurs van reisgidsenseries kun je dat zeggen? Hij neemt de reiziger mee naar het enorme Hongaarse natuurgebied en legt uit wat voor soort landschappen er zijn, welke invloeden deze gebieden ondergaan, hoe ze historisch zijn gevormd en wat voor gevolgen dat heeft voor planten, dieren en mensen die daar leven. Zie de schrale Hongaarse poesta, wijds met vele facetten, van slaapverwekkend eentonig tot verrassend en afwisselend wanneer de ondergrond het toelaat. De overstromingsgebieden bij de rivier Tisza vol van betoverende rijkdom, daar waar ze niet worden bedreigd. Zelfs de door mensen gereguleerde viswateren en akkerbouwvelden zijn spannende ontdekkingsterreinen voor tal van planten- en diersoorten.
Is alles even vloeiend en boeiend? Ik moet bekennen dat ik moeite had met het hoofdstuk over de vogels in Hortobágy. In één van de belangrijkste vogelgebieden van Europa vliegen wel erg veel soorten rond. Als niet-kenner moest ik voortdurend naar de verklarende woordenlijst achterin om de Nederlandse vertaling van Engelse soortnamen te achterhalen. Verder is de Engelstalige gids plezierig leesbaar.
De Crossbill Guide is een aanrader voor iedereen die enkele dagen van een natuurgebied wil genieten. Het is een rijk geïllustreerde en veelzijdige gids met adviezen over waar, hoe en wanneer je dieren en planten kunt observeren, met wandel-, fiets- en autotochten en alternatieve uitstapjes. Ook handige toeristische aanwijzingen voor verblijf en vervoer staan erin. Belangrijk zijn de waarschuwingen, zoals voor muggenplagen op route 3, 4, 5, 8, 9 en voor de zon. Er bestaat nauwelijks goede informatie voor geïnteresseerde leken over de belangrijkste natuurgebieden in Europa, maar hier wordt in rap tempo iets aan gedaan dankzij een enthousiaste landgenoot en het team waarmee hij werkt, zie www.crossbillguides.org .
 

Jan Wolkers en Koos Breukel

De onstuimige spelbreker, Jan Wolkers gefotografeerd door Koos Breukel, Texel 3 9 2007,
Veenman Publishers 2008, euro 24,95
 
Anderhalve maand voor zijn dood werd Jan Wolkers geportretteerd door fotograaf Koos Breukel. Hij heeft een serie portretten gemaakt in kleur en zwartwit. Het blozende, volle gelaat van de schrijver/beeldend kunstenaar zoals we hem kenden heeft plaatsgemaakt voor een kwetsbaar, getekend gezicht. Maar zijn blik is nog trots en krachtig. Zijn haar is dunner en minder weerbarstig dan vroeger, maar prachtig barok gekruld. Op de foto’s waarop hij je recht in de ogen kijk ontdek je een breed spectrum aan emoties: van onverschrokken en onderzoekend naar wantrouwend en zelfs wat angstig. Maar het is de vraag hoeveel gevoelens je er als kijker ‘instopt’. Aanvankelijk zie je Wolkers van heel dichtbij. Gaandeweg is er meer afstand, staat ook zijn romp met ervoor zijn handen op de foto. De laatste drie zijn dubbelportretten, Karina poseert naast haar man.
De reeks is gemaakt in opdracht van maandblad M van NRC Handelsblad. Er moest een foto van Wolkers komen die geïnspireerd was op het schilderij ‘portret van een oude man’ van Rembrandt. De serie die daardoor ontstond is zo mooi geworden, dat deze vrijwel in zijn geheel is gebundeld door Veenman Publishers. Het boek bevat een korte tekst van NRC Handelsblad redacteur Paul Steenhuis, die de foto’s iets van een achtergrondverhaal verschaft. Twee kunstenaars, Wolkers en Breukel vinden elkaar op een middag op Texel in de manier waarop zij beiden in het verleden van hun geloof vielen na de dood van hun huisdier. Verder moet het beeld voor zichzelf spreken. En dat doet het. De sobere stijl waarin het boek is vormgegeven zorgt dat niets je van het beeld afleidt. Een Rembrandtgevoel wordt opgeroepen door de bruine achtergrond, die de kleurenfoto’s een gedragen zwaarte geeft, en door de belichting. Kleine verschillen in Wolkers’ houding en de hoek van waaruit gekeken wordt, zorgen voor oneindig veel nuanceverschillen waardoor je lang en veel moet kijken. Dit kleine boek is een eerbetoon aan een groot Nederlands schrijver, maar het is meer dan dat. Het is ook een prachtig onderzoek van de fotograaf naar zijn ‘onderwerp’.
 
Door de CPNB is Koos Breukel gevraagd om voor Boekenweek 2008 een portret te maken van boekenweekgeschenkschrijver Bernlef. Een originele, levensgrote afdruk van dit schitterende portret is de komende weken te bezichtigen in de etalage van onze boekhandel.
In Alkmaar, in de etalages van Krek aan de kanaalkade, is tot half april een expositie met foto’s van Breukel.
 

Leeuwerik

Kosztolányi, Leeuwerik, 17,90, De bekentenissen van Kornél Esti, Vertalers Henry Kammer en Mari Alföldy, Van Gennep, euro 22,50

Een van de grote voorbeelden voor de Hongaarse schrijver Marai was dichter, prozaschrijver en journalist Dezsö Kostolányi (1885-1936). In1947 werd hij door het communistische regime tot vijand verklaard. Tegenwoordig is hij een van de meest populaire Hongaarse schrijvers. Uit De bekentenissen van Kornél Esti, vertaald in 2006, lees ik tot op de dag van vandaag stukken voor, uit enthousiasme. Geen wonder dat ik met spanning wachtte op de roman Leeuwerik, die vorige maand verscheen.

Vergeleken met het boek uit 2006 oogt het verhaal simpel. Een ouder echtpaar leeft in het provinciestadje Sárszeg, afgesloten van de buitenwereld, samen met dochterlief die geen man kan bekoren. Dan besluit het echtpaar, Ákos en Antónia Vajkay, dat dochter Leeuwerik een week bij familie moet gaan logeren. Man en vrouw zijn plotseling op zichzelf aangewezen en moeten zeven dagen overbruggen. Kostolányi laat inwoner van Sárszeg en journalist Ijas mijmeren: `Toegegeven, op het eerste gezicht waren deze mensen allemaal even oninteressant, misvormd en verknipt, en hadden ze de kwalijke neiging om zich in hun innerlijk wereldje op te sluiten. Maar hoe gecompliceerd en menselijk waren ze allemaal!’ Als Tsjechov weet de schrijver in schijnbare eenvoud een heel mensenleven te treffen.
Het vertrek van Leeuwerik leidt tot een andere tijdsbesteding. Nu er niet voor de Vajkays wordt gekookt, bezoeken ze restaurant De Koning van Hongarije, waar de bekendste personen samenkomen. Het verhaal neemt hier een wending. Akós heeft zich niet altijd afzijdig gehouden van het bruisende uitgaansleven. Hij treft een oude vriend, die voorzitter is van de plaatselijke herenclub, De Panters. Er volgen ontmoetingen met toneelspelers, de schouwburgdirecteur, notabelen van de stad en uitnodigingen voor theatervoorstellingen en feesten. Kostolányi geeft een nauwgezette en humoristische karakterschets van de plaats en haar belangrijke burgers in 1899. Het echtpaar lijkt in deze wereld alles te overkomen, alsof er geen keuze is.
Gelaten worden ze zich bewust van hun gezinssituatie. Nadat Ákos op de laatste dochterloze dag straalbezopen thuiskomt van de wekelijkse herenavond van De Panters, worden onderhuidse emoties na jaren van ontkenning heftig vrijgegeven. Hoe wordt Leeuwerik ontvangen en is zij veranderd na haar verblijf buiten Sárszeg? Hoe zullen ze hun eigen leven vormgeven?
Leeuwerik is een amusant-tragisch boek met geraffineerde observaties. Kostolányi is een schrijver van wie de naam moeilijk te onthouden is, maar wiens boeken je niet loslaten. Toch mist Leeuwerik iets van de scherpte van De bekentenissen van Kornél Esti. Uit dat boek blijf ik voorlezen!

Astrid Lindgren, een herinnering

Rita Verschuur, Astrid Lindgren, een herinnering, Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren, 12,50 euro
Jacob Forsell e.a., Astrid Lindgren, haar leven in beelden, Uigeverij Ploegsma, 49,95 euro
Op 28 januari 2002 overleed de Zweedse kinderboekenschrijfster Astrid Lindgren. Wereldwijd zijn generaties met haar boeken groot geworden, en nog steeds worden titels als Ronja de roversdochter en Karlson van het dak veel gelezen.
Rita Verschuur was lang de vaste vertaalster van Lindgrens werk. Behalve Pippi Langkous heeft ze bijna alles van haar vertaald. Voor haar studie Zweeds ging ze in 1959 naar Uppsala. Daar las ze Rasmus en de landloper van Astrid Lindgren en was er meteen zo enthousiast over dat zij het boek in het Nederlands wilde vertalen zodat haar broertjes en zusje het konden lezen. Onbevangen stapte ze op Lindgren af, die destijds redacteur bij een uitgeverij was, om haar vertaalproblemen te bespreken. Dit was het begin van een levenslange band die aanvankelijk was gestoeld op het vertaalwerk, maar gaandeweg steeds persoonlijker werd. In het onlangs verschenen boek Astrid Lindgren, een herinnering zien we een opmerkelijk schrijfster door de ogen van Rita Verschuur. Het is een dubbelportret geworden, want de herinneringen aan de een raken direct het leven van de ander. En die persoonlijke benadering maakt het boek zo mooi. Daarnaast is het smullen van allerlei sappige details. Wat wij in Nederland niet kennen, is de mate waarin een (kinderboeken)schrijfster beroemd kan zijn. Lindgren werd overal herkend en aangestaard en nagewezen. Zij was publiek bezit. Dat kon een last zijn, maar soms ook geestig. Een taxichauffeur raakte zelfs de weg kwijt toen hij ontdekte wie hij naast zich in de auto had. Zij moet een enorme uitstraling hebben gehad, zowel op familie en vrienden, als op volslagen vreemden. Haar ‘Pippi-achtige’ karakter heeft daar zeker aan bijgedragen. Zij zou eens een openluchtmuseum over haar boeken openen. Een dikke man bleef eindeloos praten voor hij haar de schaar overhandigde waarmee ze het lint moest doorknippen. Daarop greep ze zijn rode stropdas en dreigde die door te knippen.
Steeds beschrijft Rita ook haar eigen ervaringen. Bijvoorbeeld haar onmacht om na de dood van Astrids zoon contact met haar te krijgen: ‘En ik loop over het pad langs het water en probeer te voelen hoe het is een kind te verliezen. Maar ik kan het niet.’
Bovenal weet Rita het plezier en de worsteling van het schrijverschap te verwoorden. Dat wat zij met elkaar deelden.
 
Sinds 1999 woont Rita Verschuur, schrijfster van kinderboeken en vertaalster van Zweedse literatuur, in Bergen. Zij vertaalde ook de vorig jaar verschenen fotobiografie van Astrid Lindgren.

WIE KNIPPERT IS BANG VOOR DE DOOD

Knud Romer, Wie knippert is bang voor de dood, uitgeverij Querido, euro 17,95
Denemarken lijkt op Nederland wordt vaak gezegd. Toch zien we weinig Deense romans in de winkels. Onlangs verscheen de debuutroman van Knud Romer in Nederlandse vertaling. Hiervoor kreeg hij in Denemarken de belangrijkste debuutprijs, de literatuurprijs van het grootste dagblad en de prijs van de Deense boekhandel. Alle reden om aandacht te schenken aan “Wie knippert is bang voor de dood”.
Nykøbing is een klein stadje bij zee. In de winter ruikt het er naar suikerbieten, roeken maken er de dienst uit. Als de vader van Knud een nieuwe Mercedes krijgt, rijdt hij weg “in de eerste versnelling en daarna in de tweede en maakte een ritje door Nykøbing”. Zo vredig als dit oogt, zo naar zijn in het debuut van Romer de mensen die er wonen.
Knud wordt op school voortdurend gepest door zijn klasgenoten. Hij is het enige kind van een Deense vader en een Duitse moeder en groeit op tijdens de Koude Oorlog. Zijn moeders nationaliteit wordt in Denemarken niet gedoogd. Het gezin raakt geïsoleerd temidden van een vijandige buitenwereld. Knud is volledig aangewezen op zijn ouders, bij wie het verleden een grote rol speelt. Het boek lijmt de scherven uit hun verleden aaneen.“Oom Helmut zat vol granaatsplinters, die op gezette tijden uit hem kwamen. Elke keer wanneer wij elkaar zagen gaf hij me een nieuw stukje en vertelde over de oorlog. Splinter voor splinter zette ik de verhalen in elkaar”.
Het leven van zijn ouders en de daarbij horende geschiedenissen, van grootvader aan vaders kant bij wie de meest fantastische plannen gedoemd zijn om te mislukken, van zijn grootouders aan moeders kant, die van alles meemaken tijdens de Tweede Wereldoorlog, van tantes en ooms en de hobbels in hun leven, ze maskeren de eenzaamheid en de angsten van Knud. Tegelijkertijd bouwen ze aan een eerbetoon voor zijn moeder, die het meest belaagd is van allen.
In “Wie knippert is bang voor de dood” staat geen woord teveel. De familierelazen bieden duidelijk meer stof tot schrijven, maar niet in dit boek. En door de bittere ernst heen vonkt Romers humor. “Tante Eva gaf me een spitse zoen op mijn wang en zei:’Na, kleiner Knud, fröhliche Weihnachten’. Haar stem brak de kerstwensen doormidden in kleine, schelle stukjes. Ze begroette pa en wendde zich ten slotte tot ma en zei: ‘Schau mal einer an, das Hildemäuschen.’ Ma barstte uit in een ‘Ach, Evamäuschen!’ Vervolgens vielen ze in elkaars armen en haatten elkaar hartgrondig”. In de vorm van een familieroman voltrekt zich een afrekening, met Knuds verleden, met inwoners van een ‘onschuldig’ stadje. Een periode die wordt afgesloten met een geweldige knal.

Witte veder

Sanneke van Hassel, Witte veder, Uitgeverij De Bezige Bij, euro 15,00
Witte veder is de tweede verhalenbundel van de jonge, veelbelovende schrijfster Sanneke van Hassel. Zij debuteerde met de door de pers bejubelde bundel korte verhalen IJsregen. In haar daaropvolgende boek laat ze opnieuw zien dat het korte verhaal voor haar een geschikte vorm is om zich in uit te drukken.
Het is een mooie en bonte verzameling ‘stijloefeningen’, waarbij Van Hassel met evenveel gemak kruipt in de huid van een oude eenzame man als een zwangere vrouw, een jonge pas gescheiden man, twee zussen of een klein meisje. De verhalen spelen zich af in Rome, Rotterdam, Amsterdam… Wat hen bindt is de triestheid die als een mist om alle personages hangt. Ze zijn meestal eenzaam, staan ongemakkelijk in het leven, door ouderdom, teleurstellingen en mislukte relaties. Echt vrolijk word je er niet van, eerder bekruipt je een onbehaaglijk gevoel en iets van droefheid.
De zwangere en dus kwetsbare vrouw uit het eerste verhaal, Kistjes, raakt door angst bevangen. Ze bevindt zich in het drukke openbaar vervoer in Amsterdam. In haar hoofd draait er voortdurend een film met allerlei rampspoedscenario’s, terwijl zij met de tram voorbij een boekhandel rijdt met in de etalage het nieuwe boek Calamiteitenleer voor gevorderden, van een jonge Amerikaanse schrijfster. Alle details in de verhalen van Sanneke van Hassel zijn belangrijk. Ze legt niet veel uit, maar elk element geeft betekenis prijs.
Zich aan hem tonen, het verhaal waarin een gescheiden vrouw wacht op de thuiskomst van haar lievelingszoon, vind ik erg mooi. Het laat zien hoe zorgvuldig de schrijfster de gebeurtenissen doseert. De manier waarop de moeder het huis klaarmaakt, de werkster instructies geeft, inkopen doet, bloemen koopt, voordat haar zoon thuiskomt. ‘Gladiolen kiest ze, ze houdt van de statige stengels, de felgekleurde kelken. Doodsbloemen, noemde een vriendin ze.’ Elk zorgvuldig gekozen detail verhoogt de spanning van haar wachten. ‘Ze zet het vaatdoekje in water met vlekkenzout. Een fles rode wijn openmaken. Ze schenkt in.’
Veel woorden heeft Sanneke van Hassel niet nodig. De verhalen zijn onopgesmukt, haar zinnen zijn kort. De spaarzame beeldspraak die ze zichzelf gunt, staat altijd in dienst van de zeggingskracht van het verhaal: ‘Het is benauwd in de zaal. Voor een podium ter grootte van twee grafkisten staan tafeltjes waaraan zich een man of vijf publiek heeft verzameld.’ Dat voorspelt niet veel goeds over het verloop van de avond.
Binnenkort, op 11 oktober, treedt Sanneke van Hassel op in Bergen. We zullen zorgen dat het podium daar de grootte van twee bloembedden zal hebben. Dat verdient ze. 


Maria krijgt een slaafje

Dolf Verroen, Slaaf Kindje Slaaf, Uitgeverij Ger Guijs, prijs 12,50

Nog een paar weken en we weten wie de winnaar is van de Gouden Griffel 2007. Welk kinderboek uit 2006 wordt hét jeugdboek van 2007? Mijn vraag voor vandaag: welk boek zijn we in Nederland vergeten? Vorig jaar kreeg Dolf Verroen voor zijn boek Slaaf Kindje Slaaf de Gustav Heinemann Vredesprijs en de Deutscher Jugendliteraturpreis 2006. In Nederland heeft zijn verhaal geen nominatie gekregen. Wat willen Nederlanders niet weten?
In Slaaf Kindje Slaaf volgen we het leven van de twaalfjarige Maria. Zij groeit op in een welgesteld gezin en wordt strak volgens de geldende etiquette opgevoed. Op haar twaalfde verjaardag krijgt zij van papa een slaafje, Koko. Het hoort bij haar leeftijd dat zij leert omgaan met een eigen slaaf. Tegelijkertijd is zij een alledaags meisje, bezig met haar lichamelijke ontwikkeling en haar eerste gevoelens van verliefdheid. Als op tantesdag haar tantes op visite komen, wordt Maria door hen aangespoord om Koko te verkopen en een slavenmeisje te nemen. Zo schetst de schrijver ons een fragment uit het leven van slavenhouders. “Alle mensen in dat verhaal zijn verzonnen, ik weet niet waar het zich afspeelt, toch is alles echt gebeurd”.
De strakke vorm van veertig kleine hoofdstukjes geeft het verhaal een keurslijf dat naadloos aansluit bij de opvoeding van Maria. De zorgvuldige, ritmische korte zinnen nemen je mee in een andere wereld. Voor de jonge lezer ontstaat er een surrealistische ervaring. Ineens verplaatst hij zichzelf in gedachten van iemand waarmee hij zich niet wil vereenzelvigen, in een leven dat hij niet kent. Verroens lichtvoetige toon versterkt het snijdende gevoel: “Koko, waar ben je geboren? Weet niet. Waar kom je vandaan? Van de markt juffrouw. Waar is je vader? Weet niet. Je moeder? Weet niet. Hij weet niets. Stom stom stom”.
De vertelling is gebaseerd op indrukwekkende bezoeken aan Suriname en Ghana, waar in Fort El Mina slaven werden opgesloten voor hun doorvoer naar ondermeer Suriname en Amerika. Verroen ontdekt een braakliggend terrein. Nederland heeft een deel van zijn welvaart te danken aan overzeese gebiedsdelen en de slavenhandel in vroegere tijden. Maar de geschiedenis van bijvoorbeeld Suriname heeft maar weinig aandacht gekregen, zeker in het onderwijs. Kunnen wij in Nederland ons verleden wel verdragen? Ik hoop niet dat het ontbreken van nominaties hierop het antwoord is. Slaaf Kindje Slaaf is aangrijpend geschreven en zeer geschikt om over te discussiëren. Korte zinnen en het formaat van nog geen honderd bladzijden maken het ook toegankelijk voor niet-lezers vanaf groep 7/8 van de lagere school. Scholen koop dit boek!  
 

Eindelijk de zee

Thomas Verbogt, Eindelijk de zee, uitgeverij Nieuw Amsterdam

Toen Boudewijn (Bo) Nagthuys zo’n acht jaar oud was, leerde hij Sam kennen. ‘Hij zat voor me in de klas en we keken veel naar buiten. Misschien keken we wel naar hetzelfde.’ Het begin van een levenslange vriendschap tussen twee jongens, twee eenlingen die dezelfde kant uitkeken maar niet altijd hetzelfde zagen.
Boudewijn bevindt zich als vijftiger op het zoveelste breekpunt in zijn leven. Hij neemt afscheid als hoofdredacteur van het blad ‘De Wereld’ en heeft zojuist zijn vriend Sam begraven. Voor het televisieprogramma ‘Tien voor je leven’ zal hij zijn verleden doornemen aan de hand van tien cruciale gebeurtenissen. De presentator wil allerlei interessante feiten horen, maar Boudewijn wil het alleen over vriendschap hebben, over Sam. Nog voordat de opnames beginnen, neemt Boudewijn de benen.
Eigenlijk is de prachtige nieuwe roman van Thomas Verbogt, ‘Eindelijk de zee’, een ‘Tien voor je leven’ in boekvorm. Steeds herinnert Bo zich de situaties die een afscheid markeren van het verleden en een belofte inhouden voor de toekomst, gebeurtenissen die de indrukwekkendste beelden opleveren. Als Sam en hij tien jaar oud zijn en in Bergen aan Zee logeren, vinden ze een dode man en vrouw in een schuilkelder in de duinen. Dit is het eerste moment dat Sam ‘vol in Bo’s leven is’. Tien jaar later, na de eindexamenfeesten van de middelbare school zegt Sam dat hij naar de kunstacademie in Maastricht gaat, en niet met Bo gaat studeren in Nijmegen. Bovendien vertelt Sam hem zijn grote geheim. ‘Het gaat over moed. En over de vraag wat ik niet ben dat Sam wel is. Ik bewonder hem.’ Veel later, op de begrafenis van Sam en tegelijkertijd op Bo’s verjaardag, ontmoet hij zijn nieuwe liefde Julia, die een huis in Bergen aan Zee heeft. ‘Julia Beaumond is mijn cadeau. Van Sam.’
Bij alle beslissende momenten is Sam aanwezig, al was het maar in Bo’s gedachten. In die zin is het boek een ontroerend monument voor een vriend. Maar het is tegelijkertijd een zo eerlijk mogelijk onderzoek van Boudewijn naar zichzelf. Naar zijn angst niet aardig gevonden te worden en de rollen die hij daardoor in het leven speelt. Naar de noodzaak in zijn leven: ‘ik wil voortaan achter alles een uitroepteken zetten.’. Naar de waarheid, die altijd in beweging is. Naar de juiste woorden voor gevoelens en gebeurtenissen die te groot voor hem zijn. Naar de moed zichzelf onder ogen te zien.
Dankzij de vertelkracht van Verbogt is Boudewijn een goede bekende geworden, iemand die je heel graag mag.


Bang voor de bal

Tsead Bruinja, Bang voor de bal, gedichten, uitgeverij Cossee

Op 9 januari 2007 verscheen de nieuwe bundel van de Fries/Nederlandse dichter Tsead Bruinja, Bang voor de bal. Zijn derde Nederlandse - hij schreef ook vier Friese bundels - en wat mij betreft is deze nog weer mooier dan de vorige.
Niet dat na lezing alles glashelder is, er blijven genoeg raadsels over. Maar een duidelijke boodschap is ook niet wat de dichter beoogt:
Ik weet het/er liggen betekenissen op de loer/die dit gedicht kunnen bederven, schrijft hij in het gedicht Specialist op het gebied van kozijnen. De betekenis bevindt zich daarom net om de hoek, steeds als je meent haar te kunnen grijpen, ontglipt ze je. Dat neemt niet weg dat er veel te beleven en te genieten valt. Humor, maar ook ontroering en zelfs romantiek is deze poëzie niet vreemd. In het gedicht In de duinen zegt de dichter:
ik vraag het publiek of ze een romantisch/of een geëngageerd gedicht willen horen en even later: iemand roept/romantisch. Een voorbeeld van een indrukwekkend romantisch gedicht is Herhaald verzoek. Ik citeer de mooie slotregels:

en ik heb de meest waardeloze knieën//en ik vraag je//
elke ochtend dat jij je ogen opendoet//om de wereld nieuw te maken//vraag ik je weer

Deze poëzie ontroert, verfrist, verwart, irriteert en maakt je aan het lachen. Het is een persoonlijke bundel, in die zin dat de dichter zijn stof haalt uit zijn directe omgeving, de dingen die hem bezighouden. En daarmee zijn Bruinja’s gedichten net zo divers als hij zelf. Een dag in de duinen bij Egmond, Henry Kissinger, de ziekte van Alzheimer, een hotelbad, waakhonden en beveiliging, Oprah, vader, vrouw, kind, liefde en dood. Regelmatig haken de afzonderlijke gedichten op elkaar in, doordat de slotregels van het ene gedicht aansluiten op de beginregels van het volgende, of omdat woorden en beelden zich herhalen. Ook de vorm van deze poëzie is grillig. Er zijn korte en lange gedichten, sommige zijn bijna prozastukjes, soms zijn ze klankrijk en zangerig, andere klinken als spreektaal en zijn anekdotisch en soms lijken ze door ritme en herhaling wel songteksten. Maar altijd is de toon oprecht en geloofwaardig. Heel spaarzaam gaat Bruinja om met komma’s en punten, waardoor je als lezer wel eens twijfelt aan wat de juiste lezing is. Dat wordt overigens verduidelijkt door zijn fantastische voordracht. Op zijn website (www.tseadbruinja.nl) is de poëzie van Tsead Bruinja te lezen en te beluisteren, zowel met als zonder muziek en een enkele keer met beeld.
Laat deze dichter nog maar veel meer breken en bouwen aan zijn universum:

daarom knuppel in het hok
knuppel naast de klok

pistool onder het kussen

beter gereedschap
huizen afbreken

hier begint een lied


De rokken van de ui

In september 2006 ontstaat er in Duitsland ophef over ‘De rokken van de ui’, de autobiografie van Günther Grass. Voor velen is zijn geloofwaardigheid verdwenen nu hij, na jarenlange strijd voor openbaarmaking van het nationale oorlogsverleden, op late leeftijd beschrijft hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uitmaakt van de SS. Bijna sensatiebelust-nieuwsgierig heb ik eerst de Duitse en daarna de pas verschenen Nederlandse editie in handen genomen. Wat heeft deze man uitgespookt, auteur van een van de beste boeken die ik ooit heb gelezen, ‘De blikken trommel’?

Vanaf de eerste bladzijde heb je te maken met een rasschrijver, een zinnenbouwer. Het boek is eerder een autobiografische roman dan een autobiografie. Schil voor schil pelt hij de ui op weg naar een verleden, waarbij hij afstand schept tussen de schrijver van nu en de twaalfjarige jongen die voor hem vlucht. Hoe sterk is het geheugen? Bij mij neemt interesse het over van sensatiezucht. De schrijver ontdekt een jongen met passie voor beeldende kunst, maar ook een knaap die geen vragen stelt wanneer mensen in zijn omgeving verdwijnen. Een jongen die wil geloven in het Duitsland zoals hij dat voorgeschoteld krijgt bij het Jungvolk en de Hitlerjugend. Bij het pellen zijn scherpe sappen niet te vermijden. In 1944 meldt hij zich aan voor het leger. Pas later wordt hij opgeroepen voor een ander onderdeel dan waarvoor hij zich had opgegeven, een pantserdivisie van de Waffen-SS. Hij is 17 jaar, raakt verloren tussen de fronten, en loopt het risico dat hij als verrader wordt opgehangen aan een van de bomen langs de wegen die hij kruist. Hij raakt gewond, komt in een ziekenhuis en vandaar in Amerikaanse krijgsgevangenkampen. Verrassenderwijs speelt ideologie voor de verslagen soldaat geen rol. Na de oorlog wordt hij gedreven door drie vormen van honger: de letterlijke, die van zijn onbeteugelbare geslachtsdeel en die naar kunst. Deze laatste leidt hem naar beeldende kunstacademies in Düsseldorf en Berlijn. Voortdurend geeft Grass aan waar vrienden, leerkrachten, kunstenaars en passanten in zijn romans zijn terechtgekomen. Een jongetje met blikken trom verstoort het eerste bezoek aan zijn latere schoonouders. De autobiografie eindigt bij de presentatie van ‘Die Blechtrommel’ in 1959. Daarna leeft hij “van bladzijde naar bladzijde en tussen het ene boek en het andere”.
Wat blijft na lezing van het boek is niet de schande, maar de mens en zijn gedragingen. Het boek is niet evenwichtig, de schrijver niet om lief te hebben, maar in alles zet ‘de ui’ aan tot nadenken; over volgzaamheid, belangrijk zijn, levenslange pijn, over menselijk zijn. Ik moet ‘De blikken trommel’ herlezen!


De gevaarlijkste terroriste van Australië

Richard Flanagan, De onbekende terrorist, uitgeverij Anthos/Manteau, prijs € 19,95.

Thriller of roman, realiteit of fictie, liefde of geld? “De onbekende terrorist” is de titel van het vierde boek van de Tasmaan Richard Flanagan. Een roman vol clichébeelden en platheden, maar het verontrustende karakter ervan, Flanagans vindingrijkheid en zijn humor houden het verhaal overeind.

Wie zijn boeken gelezen heeft zal verwachtingsvol hebben uitgekeken naar deze nieuwe roman.  Net als in Flanagans vorige boeken zijn de ervaringen van zijn personages extreem en speelt de auteur met de geloofwaardigheid van zogenaamde feiten. De historische gegevens en Tasmaanse wortels die “Het boek van Gould” en “Dood van een riviergids” zo bepalen, zijn verdwenen.
Sydney is de woonplaats van Gina Davies (alias de Pop), hoofdpersonage in een hedendaags gruwelscenario dat zich ook in Nederland had kunnen afspelen. Zij is paaldanseres in een van de meest exclusieve paaldansclubs in de stad. Zij lijkt zich alleen voor geld te interesseren en wat daarmee verbonden is, zoals het kopen van luxe kleding en een droomappartement. Nadat Gina de nacht doorbrengt met Tariq, een vermeende terrorist, komt haar overzichtelijke wereld op zijn kop te staan. De volgende avond herkent zij zichzelf als hoofdverdachte van een terroristennetwerk op beelden van het journaal. Vanaf dat moment wordt zij door journalisten, politie en politici opgejaagd en komt de lezer steeds meer over de verschrikkingen in Gina’s leven te weten. Daar is Flanagan op zijn sterkst. Hij voert de tegenslagen zo ver op, dat je als lezer moet lachen, maar je direct schuldig voelt door het besef dat ze iedereen zouden kunnen overkomen. En wat dan?
“De onbekende terrorist” is een aanklacht tegen de hetze en angst van deze tijd. Tegen de rol die de journalistiek en de politiek daarin speelt. Flanagan heeft duidelijk geprobeerd een groot publiek te bereiken. Gelukkig met de prachtige beeldtaal die zijn fantasie hem brengt: “als scholen vissen die heen en weer flitsten rond een felgekleurd koraalrif bewogen de mensen zich met een schijnbaar instinctieve vastberadenheid heen en weer tussen de vele verdiepingen van het winkelcentrum met zijn tientallen winkels, duizenden planken en schappen, producten en kassarijen” of “De Pop volgde een kleine moesson van Aziatische toeristen de lobby van het hotel in” en tot slot “Hij was op het strand geweest, had stenen gegooid naar rondcirkelende meeuwen en er puur toevallig een geraakt. Zijn hart sprong op toen de vogel als een baksteen uit de lucht kwam vallen, en vervolgens keek hij verbijsterd hoe de andere meeuwen in duikvlucht naar beneden kwamen en de kronkelende vogel aan bloederige flarden reten”. Voor snelle beslissers zijn er nog enkele gesigneerde exemplaren in de boekhandel!


De literaire kring

Marjolein Februari, De literaire kring, Prometheus

Het was een gruwelijke massamoord. In 1996 verkocht het Nederlandse bedrijf Vos met antivries vervuilde glycerine door aan Haïti. Daar werd deze stof verwerkt in hoestdrank voor kinderen. De gevolgen waren desastreus: meer dan tachtig kinderen overleden aan het giftige medicijn. Deze gebeurtenis vormt de basis voor de nieuwe roman van Marjolein Februari, De literaire kring. Ik ben erdoor geschokt, maar daarbij ben ik geschokt dat ik me het hele voorval niet meer herinner uit het nieuws en de kranten van die tijd.
Het verhaal speelt zich af in een welvarend dorp in het midden van het land. Hier ‘is alles vredig en je zou zeggen dat het dorp autonoom voortdobbert; far from the madding crowd.’ ‘Zou zeggen’, want in werkelijkheid hebben de invloedrijke bewoners macht die strekt tot ver buiten de landsgrenzen. Het neusje van de zalm van de notabelen heeft zich verenigd in de literaire kring. En dat zij hun invloed niet alleen ten goede, maar ook ten kwade kunnen wenden, blijkt uit deze geschiedenis.
Teresa, dochter van een van de kringleden, een beroemd staatsrechtgeleerde, groeide op in het dorp, heeft er een gerieflijk huis, een rijke man. Aan het begin van de roman wordt Teresa uit haar comfortabele maar lethargische situatie geschud door de ontmoeting met een oud-klasgenoot en journalist. Heeft zij niet gehoord van de internationaal succesvolle debuutroman van Ruth Ackermann, die zes jaar lang hun klasgenoot was? De dochter van Erik de Winter, destijds directeur van het bedrijf dat bekend werd door het glycerineschandaal? Ruth schreef een autobiografisch boek over haar opname in het gesticht, nadat haar moeder zelfmoordpogingen had ondernomen. Erik de Winter was vóór het schandaal lid van de literaire kring. Wist Teresa’s vader als kringlid van de verzending van de glycerine, was hij medeverantwoordelijk voor de moord? Langzaam ontwaakt Teresa uit haar slaaptoestand en aan het eind van het boek dringt in volle hevigheid de waarheid tot haar door.
Februari’s schrijfstijl typeert treffend een intellectuele elite, hoogdravend met irritant veel Engelse uitdrukkingen. Door de heldere compositie waarin langzaam de waarheid wordt prijsgegeven, houdt het verhaal je tot het eind toe in zijn greep.
Het boek is een aanklacht tegen het afschuiven van verantwoordelijkheden, het de ogen sluiten en laten gebeuren, zo typerend voor onze samenleving. Zoals de leden van de literaire kring niets deden om de verkoop van de giftige stof naar Haïti te voorkomen. Zoals klasgenoten van Ruth Ackermann niets deden terwijl ze zagen dat zij de vernieling indraaide. Zoals de overheid instemde met een goedkope schikking, waardoor Erik de Winter nooit is veroordeeld.
De tijdgeest maakt deze roman noodzakelijk.


Lucebert Schilder Dichter Fotograaf

Stedelijk Museum Schiedam/BnM uitgevers, Nijmegen,
prijs € 32,50.

Twee kunstboeken met werk van Lucebert kwamen in korte tijd op de markt, maar er kan maar één Boek van de week zijn. In december verscheen van Cyrille Offermans Vlek als levenswerk, Lucebert op papier. Een mooie gebonden uitgave met tekeningen, waarin Offermans in persoonlijke en vloeiende stijl een stukje Lucebert blootlegt. Hoezeer ik dit boek ook aanraad, de keuze valt op Lucebert, Schilder, Dichter, Fotograaf, een catalogus die eind januari uitkwam. Bij het doorbladeren ervan ontstaat geen kijkplezier maar kijkhonger.

De rijkelijk geïllustreerde catalogus, met spannende witte, rode en zwarte achtergrondkleuren, begeleidt de gelijknamige tentoonstelling die tot begin juni te zien is in het Stedelijk Museum Schiedam. Deze volgt op een schenking van de Lucebert Stichting aan het Instituut Collectie Nederland in 2006. Een imposante hoeveelheid kunstwerken (ca. 2200), waaruit een selectie de tentoonstelling en het boek siert. Keramiek, foto’s, litho’s, etsen, collages, tekeningen en schilderijen geven een indruk van een creërende Lucebert. Eigenlijk ontbreken alleen gouaches, waar ik zoveel van houd.
Zes artikelen gaan aan de afbeeldingen vooraf. De tekst van Cyrille Offermans over Lucebert als authentiek kunstenaar is verruimend, maar zijn taal is minder toegankelijk en zijn benadering minder ontwapenend dan in het bovengenoemde tekeningenboek. De bijdrage van Suzanna Héman en Jurrie Poot over litho’s verdient nieuwe redactie. Een zin als ‘Voortaan zouden deze bovendien meestal ook worden opgenomen…’ staat niet op zichzelf. Stopwoorden als ‘kennelijk’ en ‘waarschijnlijk’ wekken ergernis. Lezers moeten doorbijten willen ze vlotte informatie bereiken, zoals de biografische schets door Peter Hofman. Luceberts poëzie krijgt te weinig of teveel ruimte.
Visueel is dit boek een lust voor het oog. Gerrit Middelbeek, sinds kort drukker én uitgever, en zijn medewerkers hebben hun kunstboekenharten laten kloppen. Tegenover de catalogus uit 1987 van het Stedelijk Museum Amsterdam komen vroege zelfportretten sterker naar voren. Foto’s uit de jaren vijftig en zestig behouden de warme toon waarvoor Lucebert koos. Dankzij de goede lithografie is de collage Rive Droite (p.86) een ontdekkingstocht. Een tekening met Oost-Indische inkt en pastelkrijt (p.145) toont aan dat Lucebert een onmiskenbaar gevoel had voor kleuren en materialen, hoe inkt en pastel kunnen broeien.
In dit boek blader je van vroege naar latere tekeningen, van vloeiende schilderijen uit de jaren ‘70 en ‘80 naar bonkige schilderijen uit de begintijd en dan weer naar foto’s. Je ziet de kunstenaar reageren op schilderijen van collega’s, je voelt de (on)logische ritmiek van jazz. Hier is het beeldend werk een statement geworden. Bij Lucebert geen vervelende dogmatische uiting, maar een statement van overgave, ontdekking, reactie, woede, humor en spel.


‘Vergeet niet, morgen zijn we in Pamplona’

Jan van Mersbergen, Morgen zijn we in Pamplona, uitgeverij Cossee, prijs € 16,90.

‘Een bokser rent door de stad.’ Hij vlucht, hij heeft zojuist gevochten. Hij snelt de stad uit en krijgt een lift van een man die op weg is naar Pamplona, voor het stierenrennen.
In de nieuwe roman van Jan van Mersbergen volgen we de bokser Danny op zijn tocht naar Pamplona. Samen met Robert, die hem de lift gaf, en een menigte anderen staat hij uiteindelijk in de straten van die stad te wachten op het moment dat de stieren worden losgelaten. ‘Soms is weglopen het beste’ zei Robert in de auto al. Maar Danny blijft stokstijf staan en kijkt een stier recht in de ogen. Het boek eindigt als de mannen weer teruggereden zijn naar Nederland en Danny in de trein zit, naar Amsterdam. Dit is het eenvoudige verhaal.
Daardoorheen gevlochten zijn de gebeurtenissen van voor de tocht. Zo komen we beetje bij beetje aan de weet wat zich heeft afgespeeld. Danny werd tijdens een gewonnen wedstrijd gespot door Pavel, organisator van bokswedstrijden. Met als einddoel een bokswedstrijd in Leipzig, gaat hij voor deze man in training, maar meer nog voor zijn mooie assistente Ragna, tot wie hij zich vanaf het eerste moment aangetrokken voelde. Er ontstaat een verhouding die broeierig en lichamelijk is. Het lijkt erop dat Danny niet de enige man in haar leven is. Danny krijgt wantrouwen en de lezer een onbehaaglijk vermoeden.
De informatie die we als lezer krijgen is summier. Robert, die de bokser van droge kleding, voedsel en drank voorziet neemt lifters mee ‘uit nieuwsgierigheid naar wat ze te vertellen hebben’. ‘Misschien vertel ik wel niks’, was Danny’s antwoord. Ook de verhaallijn die de opmaat vormt voor Danny’s vlucht geeft geen antwoord op het waarom van de gebeurtenissen. We moeten het doen met de kale feiten en de tastbare omgeving. En hierin munt Van Mersbergen uit. In een afgewogen, rustig tempo en een nauwkeurige, gedetailleerde stijl krijgt alles betekenis. Een standbeeld van een vrouw die een kind in de lucht houdt, kippen die onderweg van een vrachtwagen zijn gevallen en gewoon op de snelweg blijven zitten. ‘Stomme beesten’ volgens Robert, anders zouden ze wel wegrennen. Door het uitvergroten van kleinigheden en het onbenoemd laten van de drijfveren ontstaat er een onderhuidse spanning, een beklemmende lading. Zoals ook Danny juist de kruimels op een leeg gebakbordje ziet als hij de waarheid over Ragna hoort. Voor wie aandachtig leest, wordt er veel prijsgegeven. Mooi is ook de spiegeling tussen heen- en terugreis. Vóór Pamplona was het Robert die zich over Danny ontfermde, na Pamplona neemt Danny de verzorgende rol op zich en laat de gewonde Robert zich rijden.
Danny is gestopt met rennen, hij laat de gevolgen op zich afkomen. En die zullen er niet om liegen.


Robin is verliefd

Sjoerd Kuyper, Robin is verliefd, illustraties Philip Hopman, Nieuw Amsterdam Uitgevers,
prijs € 13,50. (met voorlees-cd)

Voor onze eerste aanrader van dit jaar grijp ik terug naar één van de boeken die in 2006 de meeste indruk op mij hebben gemaakt, Robin is verliefd van Sjoerd Kuyper. In dit nieuwe Robin-boek, inmiddels het tiende, worden grote thema’s van het leven, de liefde en het sterven, op een hartverwarmende manier beschreven voor kinderen vanaf vijf jaar. Als liefhebber van zelflezen verwijs ik toch ook maar naar de bijbehorende cd. Het openingslied zet prachtig de toon voor het boek en het is altijd prettig om Sjoerds warme rustige stem te horen.
In het verhaal volgen we de jonge, voortdurend verliefde Robin: op school tussen zijn vriendjes en vriendinnetjes, op bezoek bij oud-omaatje die op sterven ligt, als melkboer bij oom Piet terwijl zijn ouders hun nieuwe huis inrichten, op het strand met al zijn verlokkingen en tot slot in zijn nieuwe leefomgeving. Telkens ontmoet hij aanstekelijke mensen. Wat Robin zo bijzonder maakt, is hoe hij de wereld om zich heen beleeft, hoe hij voortdurend ervaart en ontdekt:

‘Hij kijkt omhoog naar de toren. Die kan hij bijna niet zien, omdat er grote bomen voor staan. Maar de toren is zó hoog, het puntje steekt boven de bomen uit. En op dat puntje, dat allerhoogste stukje van de toren, daar ligt een bal. Een gouden bal. De bal glanst in het zonlicht, hij schittert zo fel, je ogen doen pijn als je ernaar kijkt. Het lijkt wel of er gouden vlammen uit de bal slaan. Robin heeft nog nooit zoiets moois gezien’.

Bij de confrontatie met het doodgaan van oud omaatje vindt Sjoerd Kuyper de woorden en gedachten voor Robin om de lezer een brok in zijn keel te bezorgen. Alleen elkaars aanwezigheid, alleen het zijn, is voldoende om elkaar te steunen in moeilijke momenten. Maar nergens wordt het zwaar. Met zijn helder taalgebruik, zijn woordspel en humor schept Kuyper herkenbare momenten voor kinderen en volwassenen. Robin gaat als een normale jongen door het leven met angsten, boosheid en blijdschap, maar met de gave om op een bijzondere manier naar de dingen te kijken, en in deze ‘Robin` met een licht ontvlambaar hart.
Ingetogen in zwart wit wordt het verhaal verrijkt met illustraties van Philip Hopman. Zijn ontwapenende en persoonlijke tekeningen maken Robin is verliefd ook nog eens tot een boeiend kijkspel. Laat het een goed voornemen zijn voor 2007 om dit boek niet te vergeten. Bij al het geweld op onze aardbol is de liefdevolle wereld van dit boek een verademing.