Avontuurlijk
De avontuurlijke architectuur van scouting, uitg. Blauwdruk, euro 29,15 -125px.jpg)
Er zijn weinig plekken waar een mens zoveel voorliefdes tegenkomt als in een boekwinkel. Het is verbazingwekkend in hoeveel deelgebieden mensen zich laten inspireren tot het maken van een boekwerk. Als verkoper word je voortdurend verrast. Wie verwacht bijvoorbeeld de titel: De avontuurlijke architectuur van scouting?
Ik heb nooit iets met padvinderij gehad. Mijn broer kwam wekelijks thuis met spectaculaire verhalen over belevingen bij de zeeverkenners en ik vroeg mij af hoe hij het in die knellende groepsstructuur volhield. Het is de uitdagende vormgeving van dit architectuurboek die mij tot lezen bracht over de geschiedenis van de scouting, maar vooral over de architectuur die daaruit voortkomt. Het biedt een prachtig informatief overzicht met foto’s en bouwtekeningen van veertien boeiende clubgebouwen die in twintig jaar zijn verwezenlijkt. Twee gebouwen zijn ontworpen door Maarten Min, van Min2 bouw-kunst uit Bergen. Waaronder het mooiste gebouw uit het hele boekwerk, De Burcht uit Bergen, voor scoutinggroep de Heerlijkheid en Rijvereniging Kennemer Ruiters, dat de cover bepaalt.
Vanaf circa 1910 moeten scouts het doen met afgedankte schuren, zolders, onbewoonbaar verklaarde woningen en verlaten forten zonder sanitair. Dit past bij de denkbeelden van de oervader van het scoutingwezen, Baden-Powell, die in 1907 het rauwe buitenleven voor jongeren bejubelt, respect voor de natuur en elkaar. Een spannende wereld, zonder luxe, waarin jongeren spelenderwijs oplossingen vinden. Het lijkt in tegenspraak met de recente, verzorgde, modern vormgegeven clubhuizen die in dit boek speciale aandacht krijgen.
Toch is er al een eeuw lang nagedacht over ideale behuizing, de eerste jaren uit nood. Ook na WO II zijn de ruimten schaars. In Alkmaar ontstaat het initiatief om vier groepen in één onderkomen onder te brengen. Maar belangrijker voor de architectuur zijn vanaf 1948 de inspanningen van architect David Zuiderhoek. Aan de Academie voor bouwkunst in Amsterdam krijgen zijn studenten opdracht om padvinderstroephuizen te ontwerpen: het begin van studies die de ideale ruimte onderzoeken, stoer, met de mogelijkheid om vrij te spelen. De laatste decennia hebben factoren als brandstichtingen, brandweereisen en stadsuitbreidingen, maar ook financiële steun nieuwbouw gestimuleerd. Bijzondere vormgeving kon niet uitblijven.
De avontuurlijke architectuur van scouting is een inspiratiebron voor toekomstige clubhuisbouwers en voor liefhebbers van natuurlijke materialen. In het boek zien we hoe architecten van nu de binnenruimte verbinden met de buitenwereld. Er is ruim aandacht voor de boeiende ideeën die aan de ontwerpen ten grondslag liggen. Gelukkig zijn deze goed te begrijpen, zelfs wanneer je geen zeeverkenner bent. Een verrassend nieuwe invalshoek en een prachtig uitgegeven boek.
Geur van gedroogde appels
Willem van Toorn,
De geur van gedroogde appels, Querido, euro 19,95

Onlangs verscheen er een nieuwe bundel verhalen van Willem van Toorn. Hij schreef eind jaren tachtig het succesboek
Er moeten nogal wat halve-garen wonen, schrijvers in en over Bergen. Het nieuwste boek bevat veertien verhalen die beklijven. Drie ervan breng ik onder de aandacht.
Veel indruk maakte
Na het beleg, waarin dichter Erik Leeman - Van Toorns alter ego – aan een kunstfestival deelneemt in het ontzette Sarajevo. De heenreis naar deze door de oorlog verminkte stad is prachtig beschreven. Met het vliegtuig vertrekt Erik naar Zagreb. Van daar voert de reis verder per bus. Indrukwekkend zijn de impressies van het schilderachtige landschap in contrast met de gruwelijke verwoestingen van de oorlog. “Ze keken van de smalle weg langs een berghelling neer op een dorpje aan een riviertje in het dal; in het midden waren van de moskee alleen nog de lijnen van de muren te zien, als bij de opgraving van een Griekse tempel; eromheen waren zwarte brandplekken van geruïneerde huizen; het orthodoxe kerkje en de overige huizen stonden met stallen, schuren, bloeiende boomgaarden en tuintjes vol bloemen in de zon alsof er nooit een oorlog was geweest.”
Het verhaal geeft scherp weer hoe een land op de puinhopen van een oorlog probeert verder te gaan. Oorlogsinvaliden strijden voor een uitkering, jonge, gezonde mensen schuiven de voorbije jaren onder het tapijt (“war is over”) en gaan over tot de orde van de dag, schrijvers vragen zich af hoe ze de recente geschiedenis kunnen verwoorden.
Een wonderschoon verhaal is
Haarlem Station, dat eerder in de Muggenreeks verscheen. De sfeer, en Van Toorn is een meester in het oproepen van sferen, is die van het nachtelijk Haarlem begin jaren vijftig, met veel sigarettenrook. Een zeventienjarige jongen heeft net de bons gekregen van zijn grote liefde. Hij mist de laatste trein naar Amsterdam en loopt door de koude, natte, donkere stad….
Het titelverhaal,
De geur van gedroogde appels, is aandoenlijk. De hoofdpersoon kijkt ’s nachts in de keuken van een oude boerderij in Frankrijk naar de maanlanding in 1969. Een bejaarde oma schilt appeltjes aan de keukentafel, omdat ze niet kan slapen. “Er zijn mensen op de maan (..) Moet u niet kijken?” Het vrouwtje begint krakend te lachen. Dat een volwassen man zich zo laat beetnemen door de televisie! Dat is niet echt, dat maken ze in Parijs, voor kinderen.
De verhalen van Willem van Toorn lijken dicht bij zijn eigen leven te staan. Ze zijn bedrieglijk ongekunsteld, eerlijk van toon, rijk, tot in de puntjes uitgewerkt: een genot om te lezen.
Bijzondere liefde
Johanna Adorján, Een bijzondere liefde, Mistral, 17,95 euro.
Maanden geleden attendeerde Marcella Houweling uit Bergen mij in de boekwinkel op een roman die zij vanuit het Duits heeft vertaald. Nu raden mensen ons vaker boeken aan, maar bij Marcella voelde ik dat het verhaal haar had geraakt. Vanaf dat ogenblik kon er geen dag voorbijgaan of ik tuurde naar het boek met het witte, mij niet aansprekende omslag. Mijn weerzin heb ik overwonnen. Het debuut van Johanna Adorján, Een bijzondere liefde, verdient een betere cover en is het boek van de week.
Het boek opent met een schokkende gebeurtenis: de grootouders van de vertelster maken op een zondag een eind aan hun leven, nadat vaststaat dat opa Istvan, genaamd Pista, niet lang meer zal leven. Grootmoeder Vera is dan eenenzeventig jaar oud. Een gebeurtenis waarover de familie jaren later nauwelijks spreekt, totdat een kleindochter een moedige speurtocht begint en op zoek gaat naar het leven van haar grootouders.
Het gegeven van een hoofdpersoon die op zoek gaat naar het verleden van familieleden is niet nieuw, maar de liefdevolle toon, de eenvoud en de respectvolle benadering waarmee alles is opgeschreven zijn bijzonder. Zij voelt zich verwant aan haar grootmoeder, die niet de gemakkelijkste was, en probeert zonder veroordeling haar en Pista’s geschiedenis te reconstrueren.
Dat blijkt een lastige opgave, omdat de grootouders niet spraakzaam waren over de gruwelijke ervaringen in hun leven die zij als Hongaarse joden ondergingen. Aan het woord komen vrienden en familieleden van Pista en Vera, afkomstig uit alle hoeken van Europa. Maar over te pijnlijke details wordt niet gesproken. En daarin schuilt de kracht van deze roman. Doordat niet alles wordt ingevuld ontstaat er enerzijds ruimte voor de verbeelding, maar nemen anderzijds grote thema’s als Jodenvervolging, kampervaringen, de Koreaanse oorlog, de Hongaarse Opstand en de vlucht naar Denemarken het verhaal niet over. Ze vormen een indrukwekkend decor. De aandacht blijft bij de liefde tussen Pista en Vera, hun karakters en een eventuele verklaring voor hun zelfdoding. “Ken je het verhaal van Tristan en Isolde?” vraagt oma aan een nichtje vlak voor de bewuste zondag.
Adorján schrijft een verhaal dat kwetsbaar en bij de mensen zelf blijft, dat je een warm gevoel geeft. Zonder zwaarmoedig te worden, met een bescheiden nieuwsgierigheid en subtiele humor. De sympathieke vertelster ontdekt dat zij weinig weet van haar afkomst, ze verbergt haar onzekerheden niet. Twee grootouders kiezen in het leven boven alles voor elkaar en voor hun manier van leven. Ze tonen de kracht om hun eigen weg te volgen. Marcella, dank.
Zeedrift
Jan Brokken,
Zeedrift. Verhalen, Atlas, euro 19,90

‘Aan de noordkust van Curaçao ligt een baai waar het slecht toeven is. De wind is er gemeen, het water troebel.’ Door stroming van lucht en zee heeft er zich afval opgehoopt, de zeedrift. Daarin valt van alles te ontdekken. ‘Stukken glas waren door de zee geslepen tot het fijnste Murano.’ En ‘het donkere hout uit de Amazonewouden had de effenheid van een sculptuur gekregen’. Het mooiste afval komt van het verst weg, concludeert schrijver Jan Brokken, de bezoeker van het eiland. ‘Ver weg in kilometers. Ver weg in tijd’.
Deze regels gelden als motto voor de verhalen in Brokkens nieuwe bundel, Zeedrift. De schrijver spoelt aan op exotische bestemmingen. Guatemala, Egypte, Indonesië…. Als een ware strandjutter weet hij de mooiste verhalen te vinden en om te toveren tot een persoonlijk verslag. Hij bekijkt die vreemde werelden om zich heen met interesse voor politieke, sociale en culturele situaties in het land. Maar meer nog met een groot inlevingsvermogen in de mensen die hij er ontmoet. Daardoor ontstaan er prachtige portretten van mensen die de geur van hun land om zich heen hebben hangen. De levens die Brokken beschrijft hebben de dramatiek van een roman in zich. Dát te herkennen en er literatuur van te maken is zijn talent.
Zo is er de Arubaanse pianist en componist Padú Lampe. Hij veroverde het hart van Daisy, het mooiste meisje van het eiland, met zijn lied Abo sò, Jij alleen. De tragiek en triomfen in het leven van Padú zijn verweven met hete dagen en zoele avonden, de wereld van snelle Antilliaanse walsen, de mazurka’s en tumba’s.
In Cairo heeft Brokken een merkwaardige ontmoeting met twee broers die wanhopig verlangen naar een leven zonder oorlog, maar wier vader juist tegenovergestelde idealen heeft. Hij wil dat zijn kinderen vechten voor zijn land. De broers nemen de schrijver mee naar hun familie om er de maaltijd te gebruiken. Terug op zijn hotelkamer wordt de symboliek van deze familietragiek duidelijk. De pijn van vader en zonen is de pijn van het land: ‘Ik zag dat mijn lippen geel waren van de saffraan, diepgeel, alsof ik in het zand van de woestijn had gebeten.’
Dan is er nog de fascinatie van de schrijver voor scheepvaart en scheepsrampen. Je raakt in de ban van geheimzinnige verdwijningen en verschijningen van oude schepen.
Als het boek uit is en je je blik naar de grauwe Nederlandse lucht laat glijden, wens je meteen weer terug te kruipen in de verhalen van deze schrijver.
Liefdeslied
Mariët Meester,
Liefdeslied van een reiziger, Uitgeverij Balans, 19,50.

Het is een aanlokkelijk gegeven: vier maanden rondreizen in totale vrijheid. Het volle hectische leven loslaten en teruggeworpen worden op jezelf, zonder dat je met iemand uit de leefomgeving rekening hoeft te houden. En daarna pakt iedereen de draad weer op, alsof er niets is gebeurd.
In de pas verschenen roman van Mariët Meester is dat het scenario dat de documentairemakers en geliefden, Hannah en Ruben, met elkaar aangaan. Wanneer Hannah ingaat op een uitnodiging van twee filmmakers om als stagiair vier maanden in New York te werken, mag Ruben, samen met kat Igor, in een busje door Europa trekken en doen wat hij wil. “Het plan kwam voort uit de mentaliteit die hij en Hannah altijd al hadden gehad, en die inhield dat ze álles, echt álles uit dit ene leven wilden proberen te halen. (…) Iedere kans om mee te maken hoe het ook had kunnen zijn, moest je grijpen”.
Dat het geen inhoudsloze vlucht voor het bestaande leven is, blijkt uit de route die Ruben aflegt en de gedachten die in zijn hoofd opkomen. De reis voert van Frankrijk naar Spanje, vervolgens weer richting noorden naar Denemarken en Finland. De weg staat niet los van het verleden, nee, hoe langer Ruben reist, hoe meer hij de confrontatie aangaat met zijn leven. Tot slot bezoekt hij het dorp waar zijn vader heeft gewoond en zoekt hij contact met zijn halfbroer en halfzus.
Rubens reis wordt filmisch beschreven. Het is voelbaar dat Mariët Meester veel reist en oog heeft voor details die de sfeer van een locatie weergeven. Maar ook haar ervaringen met groepen mensen van verschillend komaf, geven diepgang aan de roman. In Liefdeslied van een reiziger wordt een lans gebroken voor de menselijke maat. “Spanjaarden waren niet de zelfgenoegzame, gemakzuchtige wezens geworden die je zag in andere landen waar de welvaart toenam. (…) Spanjaarden realiseerden zich dat de destructieve krachten op de loer bleven liggen, dat je altijd waakzaam moest blijven”.
Gedurende de tocht voelt Ruben hoezeer hij is gehecht aan Hannah. Dit wordt geloofwaardig gebracht, als lezer lift je vol vertrouwen mee. Maar vanaf het begin weet je ook dat er iets vervelends dreigt. Het boek heeft kenmerken van een reisverhaal maar op het eind wint de romanstructuur. Meester heeft het verhaal een wending gegeven die net zo kordaat is als de wijze waarop het verhaal begint. Zij is het verhaal aangegaan, is de reis begonnen en heeft de termijn afgesloten, maar uiteindelijk is er wél wat gebeurd!
Kiek
Mariken Jongman,
Kiek, uitgeverij Lemniscaat, euro 13,95

‘Vroeger zei ze natuurlijk geen ‘genadewip’. Vroeger zei ze dat ik was ontstaan uit de liefdevolle samensmelting van haar eitje met het zaadje van een onbekende gever.’ Aldus de veertienjarige Kiek over haar moeder.
Kiek heeft er alles voor over om erachter te komen wie de man is die haar heeft verwekt. Veel aanknopingspunten zijn er niet. Ze weet alleen dat hij de bassist was van een bandje uit die tijd. Met haar vriendin Lottie bedenkt ze een manier om haar vader toch een gezicht te geven. Zij gaan een portret samenstellen uit verschillende bassisten, de neus van de een, de oren van de ander en zo verder. De bassist van de schoolband is hun eerste model. Om zoveel mogelijk over het karakter en de eigenschappen van bassisten te ontdekken, zal Kiek hem interviewen, terwijl Lottie ondertussen schetsen van de neus maakt.
‘”Weet je wie ook werd samengesteld?” fluisterde Lottie vanuit haar mondhoek. ”Het monster van Frankenstein.” Lottie had gelijk. Het monster van Frankenstein was ook samengesteld uit verschillende lichaamsdelen. Niet van bassisten natuurlijk, maar van lijken.’ Het lukt de vriendinnen niet alleen om een ‘echt’ portret van Kieks vader te maken, ze komen ook steeds meer te weten over zijn ware identiteit.
Kiek is het tweede boek voor twaalf plussers van de schrijfster Mariken Jongman, en weer net zo fris en energiek als haar debuut, Rits. Het zijn boeken waar je een goed gevoel door krijgt. Jongeren die zich in een lastige situatie bevinden gaan niet bij de pakken neerzitten, maar met vindingrijkheid en creativiteit pakken ze dingen aan en lossen die op. Zo helpen ze zichzelf en hun omgeving. Jongman schrijft ogenschijnlijk luchtig en gemakkelijk leesbaar, maar het is knap hoe ze verschillende verhaallijnen passend in elkaar schuift en mooie metaforen gebruikt voor onderwerpen die ze ter discussie wil stellen. Frankenstein, het boek dat Kiek aan het lezen is, roept elke keer vragen op die ook betrekking hebben op haar eigen situatie. ‘Victor zag het levende monster voor het eerst, schrok, en ging er als een haas vandoor. Nou vraag ik je! Ik vind het zielig. Ik zou ook kwaad zijn, als ik het monster was. Hij heeft er niet om gevraagd om gemaakt te worden. Het ene moment bestaat hij niet, het andere moment moet hij het maar alleen uitzoeken.’
Daarbij valt er genoeg te lachen en is er altijd het spel met de taal en het plezier van het schrijven. Een tip voor kinderboekenweek.
De Parelduiker
De Parelduiker, Bas Lubberhuizen/Stichting het oog in ’t zeil, 9,50.

Een parelduiker heeft een avontuurlijk beroep. Hij weet nooit zeker wat hij uit de enorme zee naar boven haalt, maar hij gaat voor het mooiste, de zuiverste parel. Niet voor niets heet het boek van de week De Parelduiker. Alleen, het boek is deze week geen boek maar een tijdschrift.
Deze zomer heb ik genoten van drie Parelduikers. De eerste, uit mei, is volledig gewijd aan dichter/beeldend kunstenaar Chris van Geel. Het verschijnen van dit nummer valt samen met de opening van een tentoonstelling over hem in museum Kranenburgh. De facetten die in de uitgave samenkomen, Van Geels poëzie, zijn leven en zijn beeldende kunst, geven een prachtig uitgebalanceerd beeld van een interessant kunstenaar. Eindelijk komen gedichten, foto ’s en brieven naar buiten die jarenlang op een afgelegen zolder in de Egmondse duinen hebben gelegen. Van de aandacht voor de expositie profiteert het tijdschrift. Maar daarna is het stil, want literaire bladen vinden maar moeizaam hun weg naar het grote publiek.
Het daaropvolgende nummer is minstens zo onderhoudend. Ik pik er twee voor de omgeving relevante stukken uit. Een onbekend gedicht van Lucebert, Apollensdorfse Elegie, wordt ingeleid met een nieuwsgierigmakend verhaal van Peter Hofman, Tranen om Anneliese. Hierin schrijft Hofman over een vroege verliefdheid van Lucebert. Over een meisje dat hem bevrijdt van de Arbeitseinsatz in 1944 aan de Elbe, in het dorp Apollensdorf, op een moment dat hij het werk daar niet meer aankan. Het gedicht krijgt nu een onvermoede inhoud, alsof een uitdagende gesloten schelp is open gewrikt.
Het tweede stuk betreft een ongepubliceerde tekst van Ida Gerhardt over dans en dichterschap en een brief die zij schrijft aan zusters van het Sint-Liobaklooster in Egmond. Gerhardt verblijft jaarlijks in het klooster om er in rust te werken. Eens houdt zij voor de zusters een verhaal over de dans, die zo betekenisvol voor haar is. In een dankbrief voegt zij daar iets aan toe, een herinnering aan een gesprek met een koorddanseres. De toevoeging raakt volgens Gerhardtkenner Mieke Koenen een centraal thema in het werk van Ida Gerhardt: `dat je in leven en werk steeds bezig bent een wankel evenwicht te bewaren en het gevoel hebt dat je elk moment kan vallen’.
Zo biedt het tijdschrift telkens een verrassende speurtocht naar verborgen schatten. Ook in het derde nummer, met prachtverhalen over Gerard Reve, Johnny (the selfkicker) van Doorn en Slauerhoff, niet hoogdravend, maar juist warm en menselijk. Je wordt als lezer onderdeel van een wereld waarin nog zoveel te ontdekken valt.
De tocht van de olifant
José Saramago,
De tocht van de olifant, Meulenhoff, 19,95

Uitgangspunt is een klein historisch gegeven. In 1551 schenkt de koning van Portugal een Indiase olifant aan zijn neef Maximiliaan van Oostenrijk. Het verhaal is eenvoudig: de olifant, Salomon geheten, moet naar Wenen. Eerst naar het Spaanse Valladolid, waar Maximiliaan op dat moment verblijft, vervolgens met de Oostenrijkse karavaan naar Wenen. Deze tocht, met in het middelpunt Salomon en zijn Indiase kornak (olifantenverzorger), beslaat de gehele nieuwe roman van José Saramago.
Alleen al de praktische uitvoering van de reis, die begint in Lissabon, is een genot om je voor te stellen. Want hoe vervoer je midden zestiende eeuw een olifant? Voorop Salomon met hoog op de schouders van het dier de kornak. Daarachter de ossen met op de ossenwagen een reusachtige watertobbe en enorme balen voer. Dan volgt een peloton van de ruiterij, ter bescherming van de stoet, en een militaire wagen getrokken door twee muilezels. Toevallige toeschouwers kijken hun ogen uit. De wegen zijn slecht, de wolven bedreigend en de tocht zal niet sneller gaan dan de langzaamste, de os. Bovendien is het de gewoonte van Salomon om ’s middags drie tot vier uur te rusten, te baden en te modderbaden.
Niet alleen het vervoer, ook de onderlinge machtsverhoudingen en eerkwesties leveren problemen op. Saramago beschrijft alles met veel humor en een scherp oog voor menselijke verhoudingen. De vraag wie de eer krijgt om Salomon over te dragen aan de aartshertog van Oostenrijk veroorzaakt zelfs bijna een oorlog. Saramago bespot de machthebbers, maar wekt ook sympathie en mededogen voor zijn personages. Vooral voor de wijze kornak, die door zijn monopolypositie als verzorger van Salomon een zeker aanzien krijgt, maar uiteindelijk niets voorstelt, zelfs zijn prachtige naam Subhro wordt door Maximiliaan niets ontziend vervangen door Fritz. ‘Dat is een gemakkelijk te onthouden naam, bovendien zijn er al enorm veel fritzen in oostenrijk, jij wordt gewoon de zoveelste, maar wel de enige met een olifant’.
De stem van de schrijver, die becommentarieert en meedenkt, is voortdurend aanwezig. Hij is onderdeel van het verhaal en reflecteert tegelijkertijd, hij is geestig, filosofisch of theoretisch. Als de kornak het even te kwaad krijgt door ‘de laatste desastreuze gebeurtenissen’, deelt de verteller mee: De kornak ‘had even een vriendschappelijke hand op zijn schouder nodig, en dat is alles wat we hebben gedaan, onze hand op zijn schouder leggen.’
De Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago is 86 jaar. Naar zijn eigen zeggen is De tocht van de olifant zijn laatste roman. Een prachtige afsluiting van een bijzonder oeuvre.
Andrea Vitali, Juffrouw Jole wil een man, Uitgeverij Serena Libri, 19,95.
I

n het idyllische stadje Bellano aan het Comomeer in Italië woont huisarts en bestsellerauteur Andrea Vitali. Hij schrijft prachtige verhalen die zich altijd rond zijn woonplaats afspelen. Onlangs verscheen één van zijn vroege romans in een Nederlandse vertaling: Juffrouw Jole wil een man. Een juweeltje!
Typiste Jole Vergara is 37 jaar en woont in een flatje aan de rand van het Comomeer. Haar ouders zijn overleden. In haar leven spelen nog een paar mensen een rol van betekenis: tante Ortensia, die geen familie is maar een oude vriendin van haar moeder, en drie collega’ s van de gemeentelijke secretarie, te weten secretaris Restelli, de bode Troilo en Iris Rusconi. De ambtenaren zitten samen in één krappe kantoorruimte en zijn veroordeeld tot elkaar. Als bij een onaangekondigde inspectie blijkt dat Iris haar werkzaamheden slecht uitvoert, ontstaat een boeiend menselijk spel van jaloezie en frustratie. De gestoken Iris richt haar pijlen op secretaris Restelli, die het aan zijn prostaat heeft en de eenzame fatsoenlijke Jole. Wanneer tante Ortensia naar Bellano komt om bij Jole in huis te sterven, ontstaat het vermoeden bij Iris en later bij de andere collega’s dat Jole een geheime minnaar heeft, genaamd Dante. Jole wil haar privéleven niet prijsgeven en werkt zich steeds verder in de nesten.
Vitali speelt in deze vertelling met het genre van de middeleeuwse komedie, dat tegenovergesteld was aan de tragedie en stond voor een goede afloop. Al vroeg in de roman verwijst hij naar de Divina commedia van Dante: `Het hele Comomeer had een paar dagen net zo goed op een planeet van ijs kunnen liggen; zelfs de geluiden en de enkele woorden die de mensen op straat met elkaar wisselden leken vanuit een soort winterslaap te komen’. Het meer van ijs waarin Dante in zijn Goddelijke komedie Lucifer plaatst. Maar het is niet deze dubbele bodem die ontroert, het is de eenvoud. In dit boekje van net 150 bladzijden waarin weinig gebeurt, word je direct geraakt door de vanzelfsprekende manier waarop de schrijver de alledaagse dingen uit een mensenleven beschrijft. Hij is een geweldig observator, zo treffend als hij de op het eerste oog onbelangrijke reacties en gedragingen van mensen uitvergroot. Met als wapen zijn gedoseerde opbouw, prikkelt Vitali de lachspieren en meteen volgt het besef dat je eigenlijk lacht om iets dat heel gewoon is. De bescheiden en verlegen Jole, de egocentrische en ongeïnteresseerde Iris, de geprikkelde en door zijn prostaat geplaagde secretaris, ze laten je niet meer los.
Het woud en de citadel, memoires van Simeon ten Holt